Hervorming van de pensioenen voorgesteld door de regering 1.12.2011

23 Dec 2011 Hervorming van de pensioenen voorgesteld door de regering 1.12.2011

1. het vervroegd pensioen

De minimumleeftijd voor het vervroegd pensioen zal vanaf 2013 met 6 maanden verhogen en daarna met 6 maanden per jaar om in 2016 op 62 jaar te komen, in de privésector en in het algemeen stelsel van het openbaar ambt. De minimale loopbaanvoorwaarde zal in de privésector en in het algemeen stelsel van het openbaar ambt tegen 2015 geleidelijk aan op 40 jaar komen. Bij lange loopbanen zal men in twee uitzonderingen voorzien: het pensioen zal op 60 jaar kunnen bij 42 loopbaanjaren en op 61 jaar bij 41 loopbaanjaren.

2. Verlenging van sommige loopbanen door de bijzonderestelsels op het algemeen stelsel af te stemmen.

De huidige ambtenaren van de bijzondere stelsels van het openbaar ambt die nu een gunstigere tantième dan 1/48e genieten zullen voor de vanaf 1 januari 2012 gepresteerde periodes hun pensioen op basis van een tantième 1/48e zien berekend worden (de al verworven rechten blijven volgens de oude berekeningsmethode).

De ambtenaren van 55 jaar en ouder op 1 januari 2012 zullen voor hun volledige pensioen de oude berekeningsmethode genieten. Verhoging van het aantal jaren dat voor de pensioenberekening in de overheidssector meetelt.

De gemiddelde wedde van de laatste tien beroepsjaren zal als basis dienen om het pensioen in de overheidssector te berekenen.

Deze nieuwe berekeningsmethode zal niet gelden voor de mensen van 50 jaar en ouder op 1 januari 2012.

Om de mensen met de laagste pensioenen te beschermen, zal de regering onderzoeken of men ervoor kan zorgen dat de nieuwe berekening geen pensioen oplevert dat onder een te bepalen niveau ligt.

3. Bij de pensioenberekening het werk meer laten doorwegen ten opzichte van de periodes van inactiviteit.

De regering zal de mogelijkheid onderzoeken om de uitvoeringsregels voor de gelijkstelling van de voor alle pensioenstelsels gemeenschappelijke periodes op elkaar af te stemmen.

De werkloosheid van de 3e periode en de brugpensioenperioden vóór 60 jaar zullen in de pensioenberekening gevaloriseerd worden op basis van het minimumrecht per loopbaanjaar, met uitzondering van de brugpensioenen in geval van een bedrijf in moeilijkheden of herstructurering, evenals die welke ingevolge de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 96 werden genomen. De periodes van vrijwillige werkonderbreking, buiten het gemotiveerde tijdskrediet en de thematische verloven, zullen bij de pensioenberekening nog voor maximum een jaar gevaloriseerd worden. In geval van een arbeidsduurvermindering van 1/5de tijd zal deze gelijkstelling in dagen kunnen worden geteld. Deze maatregelen zullen voor de betrokken periodes vanaf 2012 in werking treden.

4. Vrijwillig werken na de pensioenleeftijd

  • Vóór 65 jaar: Het huidige stelsel zal blijven, maar de sanctie zal in overeenstemming met de overschrijding zijn. De inkomensgrens zal voortaan geïndexeerd zijn.
  • Vanaf 65 jaar: De beroepsinkomensgrens zal worden afgeschaft voor de personen die in 2013 42 loopbaanjaren tellen. In 2014 zal de maatregel worden geëvalueerd met het oog op een eventuele verhoging van deze loopbaanvoorwaarde. Vanaf een jaarinkomen van 33.000 € bruto zal de belastingvermindering voor vervangingsinkomens degressief zijn. Voor de personen die niet aan de loopbaanvoorwaarde voldoen: de (voortaan geïndexeerde) inkomensgrens zal blijven, maar de sanctie zal in verhouding tot de overschrijding staan.

Het zal onmogelijk blijven om bijkomende pensioenrechten op te bouwen wanneer men al een pensioen krijgt.

Deze maatregelen zullen vanaf 2013 worden toegepast.

5. Meer oudere werknemers aan het werk helpen.

Om de doelstellingen uit het Nationaal Hervormingsplan te bereiken en om de uitdaging van de hogere levensverwachting het hoofd te bieden zal men de eindeloopbanen hervormen.

a. Brugpensioenen/ werkloosheid met bedrijfstoeslag.

De benaming “brugpensioen” zal worden aangepast teneinde ze meer in overeenstemming met de realiteit te brengen, namelijk “werkloosheid met bedrijfstoeslag”.

Brugpensioen op 58 jaar voor een lange loopbaan, brugpensioen zware beroepen (58 jaar en 35 loopbaanjaren) en de cao 17:

  • Anciënniteit: Het aantal loopbaanjaren komt op 40 jaar voor alle cao’s die vanaf 1 januari 2012 worden afgesloten. Voor de lopende en hernieuwde cao’s zal de voorwaarde van 40 loopbaanjaren vanaf 1 januari 2015 gelden. Voor de vrouwen zal in een overgangsperiode worden voorzien ;
  • Leeftijd: voor de cao’s die vanaf 1 januari 2012 worden gesloten zal de leeftijd tot 60 jaar worden opgetrokken. Voor de lopende en hernieuwde cao’s zal de leeftijdsvoorwaarde van 60 jaar vanaf 1januari 2015 gelden. De regering zal zich, op basis van de evaluatie van de werkzaamheidgraad van de oudere werknemers die het Nationaal Hervormingsprogramma voorschrijft, uiterlijk in 2014, uitspreken over de noodzaak om de brugpensioenleeftijd in het kader van de cao nr. 17 tegen 2020 tot 62 jaar op te trekken.
  • Gelijkstellingen: de gelijkstellingregels zullen worden herzien met het oog op een grotere harmonisering. Voor de vrouwen zal in een aangepaste overgangsperiode worden voorzien. Met het IPA verbonden afwijkende stelsels: deze stelsels kunnen via het IPA worden verlengd, of, bij gebrek daaraan, door een regeringsbeslissing.

Brugpensioenen in geval van collectief ontslag:

  • voor de bedrijven in moeilijkheden zal de afwijkende minimumleeftijd in 2012 op 52 jaar komen, en geleidelijk aan op 55 jaar in 2018 (door een jaarlijkse verhoging met 6 maanden tussen 2012 en 2018).
  • voor de bedrijven in herstructurering zal de afwijkende minimumleeftijd in 2013 op 55 jaar komen. Indien het collectief ontslag minstens 20% van de werknemers van het bedrijf treft, en alle werknemers betreft van een technische bedrijfseenheid of van een volledig activiteitensegment (te definiëren door een in MR overlegd KB, na overleg met de sociale partners), waarvan het bestaan sinds minstens 2 jaar bewezen is (volgens de nadere regels die in een in MR overlegd KB zullen worden omschreven), wordt de herstructurering met betrekking tot de brugpensioenen voor deze werknemers gelijkgesteld aan de situatie van een bedrijf in moeilijkheden. Deze afwijkende maatregel zal natuurlijkerwijze in 2018 aflopen.

In de loop van 2012 zullen de andere maatregelen van het Generatiepact eveneens worden geëvalueerd (zware beroepen, solidarisering van de brugpensioenen, enz.) en zullen de nodige correctiemaatregelen worden getroffen.

De patronale bijdragen inzake brugpensioen en pseudo-brugpensioen zullen worden aangepast rekening houdend met de leeftijd van de bruggepensioneerde.

Voor het halftijds brugpensioenstelsel zal er een uitdovend kader worden ingevoerd. Vanaf 2012 zal dit systeem geen nieuwkomers meer aanvaarden.

b. Tewerkstelling van de oudere werknemers.

Vanaf 2012:

  • De FOD Werk zal een model van Werkgelegenheidsplan voor oudere werknemers ter beschikking te stellen van de bedrijven. De ondernemingen zullen via het sociaal overleg een concreet en aan hun omvang aangepast plan moeten maken om de oudere werknemers aan het werk te houden.
  • De sociale balans zal een uitsplitsing van de gegevens volgens de leeftijd van de werknemers moeten weergeven.
  • De wetgeving zal worden aangepast opdat de ondernemingen die tot een collectief ontslag overgaan de leeftijdspiramide in het bedrijf zouden naleven. Bij gebrek daaraan zal de regering een bijkomende bijdrage op de brugpensioenen invoeren of, bij gebrek daaraan, een terugbetaling van de bijdrageverminderingen die de werkgever voor de ontslagen oudere werknemers heeft genoten.
  • Het Activa-voordeel zal naar de bruggepensioneerden worden uitgebreid.

6. Maatregelen betreffende de 2e en 3e pijler

In het kader van de interprofessionele onderhandelingen zal de regering de sociale partners vragen om de 1e pensioenpijler te consolideren en een veralgemening van een 2e pijler of van een 1e pijler bis te overwegen, bij voorrang voor zij die geen toegang hebben tot de 2e pijler.

De regering zal de fiscale 80%-regel evalueren om er de perverse gevolgen van bloot te leggen (het aandikken van de bezoldiging op het einde van de loopbaan om het hoogste fiscale voordeel te kunnen genieten, rekenfouten door een verkeerde evaluatie van het wettelijk pensioenbedrag bij een gemengde loopbaan, …) en die te vermijden.

De voor de 2e pensioenpijler gestorte bijdragen zullen maar fiscaal aftrekbaar zijn (in het kader van de 80%-regel) indien ze recht geven op een aanvullend pensioen dat, bij het wettelijk pensioen samengevoegd, het niveau van het hoogste overheidspensioen niet overschrijdt.

De belastingsvoeten van de 2e pijler, opgebouwd op basis van de werkgeversbijdragen, zullen worden herzien: 20% op 60 jaar, 18% op 61 jaar, 16,5% op 62 tot 64 jaar en 10% op 65 jaar, tegen 16,5% op 60 tot 64 jaar en 10% op 65 jaar vandaag. De belastingsverminderingen op de 2e en de 3e pijler, die momenteel berekend worden op basis van een bijzondere gemiddelde aanslagvoet, zullen voortaan op basis van een percentage van 30% voor alle belastingplichtigen worden berekend, ongeacht het inkomen.