“Op 1 januari is een ingrijpendeomwenteling van start gegaan op de arbeidsmarkt: de beperking van dewerkloosheidsuitkeringen tot maximaal twee jaar.” Met deze duidelijkevaststelling opent econoom Philippe Defeyt de eerste editie van zijn Dashboardvan de arbeidsmarkt (3 januari 2026). Het gaat om een statistische nota dieis opgevat als een opvolgingsinstrument, bedoeld om verder te evolueren, maardie nu al toelaat een nauwkeurige stand van zaken op te maken bij het ingaanvan deze belangrijke hervorming.
Op het eerste gezicht lijken de cijfersbemoedigend: “de vraag naar arbeid lijkt zich eerder te herstellen”,merkt Defeyt op. In 2025 nam de werkgelegenheid toe op jaarbasis en verbeterdede dynamiek naarmate de beschikbare kwartalen vorderden. Maar de econoomwaarschuwt meteen voor overdreven optimisme. Twee structurele fenomenennuanceren dit beeld:
“De zelfstandige tewerkstelling houdtzich verhoudingsgewijs beter staande dan de loontrekkende tewerkstelling”,waarvan de evolutie “opgepoetst wordt door de zeer sterke groei vanniet-conventionele jobs (studentenjobs en flexi-jobs)”.
Met andere woorden: de groei van dewerkgelegenheid steunt niet in de eerste plaats op de creatie van ‘klassieke’loontrekkende jobs, maar op de uitzonderlijke expansie van flexi-jobs.
De RSZ-gegevens, die het grootste deelvan de loontrekkende werkgelegenheid dekken, bevestigen deze analyse.
In het derde kwartaal van 2025 steltDefeyt vast: “een daling, weliswaar bescheiden, maar toch een daling van deloontrekkende werkgelegenheid”, evenals een verlies van 17.000 jobs bij de-65-jarigen, na vier kwartalen van zwakke groei.
Deze terugval verschilt sterk per regio.Omdat Vlaanderen economisch veerkrachtiger is, geldt dat “deRSZ-werkgelegenheid in het derde kwartaal van 2025 het sterkst is gedaald inWallonië”.
De kern vande werkgelegenheidsdynamiek ligt elders. Over de vierlaatst beschikbare kwartalen vertegenwoordigen studenten en flexi-jobbers samen3,3% van alle effectief gepresteerde arbeidsuren in de Belgische economie.
Op het eerste gezicht een bescheidencijfer, maar de samenstelling ervan is ingrijpend veranderd.
Waar flexi-jobbers in 2017 slechts 5,8%van de door deze twee groepen gepresteerde uren voor hun rekening namen, is hunaandeel inmiddels opgelopen tot 27,9% (periode 2024/3 – 2025/2). Studentenverliezen dus terrein ten voordele van flexi-jobbers.
De volumes illustreren deze verschuiving:
● gepresteerde uren door studenten:94,2% in 2017, tegenover 72,1% vandaag;
● flexi-jobs: 5,8% in 2017,tegenover 27,9% vandaag.
Een stille structurele verschuiving vande arbeid, die de globale cijfers van de loontrekkende werkgelegenheid“opfleurt”, zonder noodzakelijk te wijzen op een versterking van stabiele jobs.
Andere segmenten die traditioneelgevoelig zijn voor de economische conjunctuur sturen minder gunstige signalenuit.
De Federgon-index voor interimarbeidvertoont sinds februari 2022 een neerwaartse trend. In voltijdsequivalentenstabiliseert de interimwerkgelegenheid zich weliswaar, maar “op eenhistorisch laag niveau”.
Eenzelfde tendens is zichtbaar bij dedienstencheques, waar de erosie traag maar aanhoudend is, en bijzonderuitgesproken in Vlaanderen. Deze evoluties drukken op dekortetermijnvooruitzichten voor de werkgelegenheid.
Drie indicatoren wijzen in dezelfderichting. De Eurostat-indicator voor werkgelegenheidsvooruitzichten daalttrendmatig sinds 2022. Sectoraal merkt Defeyt op dat “het saldo vanpositieve en negatieve antwoorden eind 2025 voor het eerst sinds begin 2022negatief is in de diensten”.
Met andere woorden: voor het eerst sinds2022 zijn er in de dienstensector meer werkgevers die een daling van dewerkgelegenheid verwachten dan een stijging. Dat is een vroegtijdig signaal vaneen verslechterend werkgelegenheidsklimaat, zonder dat er al sprake is van eenmanifeste crisis.
Daarnaast daalt het aantal vacaturessterk. Het gaat om onbezet gebleven jobs, nieuw gecreëerde jobs of functies diebinnenkort vrijkomen en waarvoor werkgevers actief rekruteren. Opnieuw is desituatie het meest zorgwekkend in Wallonië, waar de daling in het derdekwartaal van 2025 -14,5% bedraagt voor alle openstaande vacatures en -16,3%voor vaste jobs. In Vlaanderen gaat het om respectievelijk -8,5% en -8,2% inhetzelfde kwartaal.
In dezecontext is de stijging van het aantal werkzoekenden logisch. “Aangezien deberoepsbevolking blijft groeien, leiden de hierboven beschreven evoluties toteen toename, doorheen heel 2025, van het aantal werkzoekenden”, schrijftDefeyt. Concreet is die ‘toename’ uitsluitend te wijten aan de groei van deactieve bevolking, niet aan een aantrekkende economie.
Op jaarbasis stijgt het totale aantalniet-werkende werkzoekenden met:
● 7,9% in België,
● 12,3% in Wallonië, tegenover 5,5%in Vlaanderen en 1,7% in Brussel.
In Wallonië zijn alle leeftijdsgroepengetroffen:
● +11,0% bij de -25-jarigen,
● +13,1% bij de 25–49-jarigen,
● +11,2% bij de 50-plussers.
Met het oog op januari 2026 verwachtDefeyt “een herverdeling tussen de verschillende categorieën van werklozen”in de komende jaren. In 2025 ontvangt 51,5% van de niet-werkende werkzoekendenin België een uitkering, 8,6% bestaat uit jongeren in een inschakelingsstage en39,9% behoort tot andere categorieën. Volgens Defeyt zullen deze aantallenevolueren.
Deze verhoudingen verschillen sterk perregio, waarbij Wallonië opvalt door een groter aandeel jongeren in inschakeling(11,7%) en een kleiner aandeel uitkeringsgerechtigden (46,9%).
Philippe Defeyt benadrukt het zelf: ditdashboard “is zeker voor verbetering vatbaar”. Het kampt onder meer methet ontbreken van recente gegevens over zelfstandigen (RSVZ) en langdurigzieken (RIZIV), een tekortkoming die hij zonder omwegen “zielig enonverantwoord” noemt.
Maar één zaak is nu al duidelijk: op hetmoment dat de tijdsbeperking van de werkloosheid ingaat, vertellen de cijfersnoch het verhaal van een abrupte instorting, noch dat van een algemeneheropleving. Ze schetsen het beeld van een arbeidsmarkt die geleidelijkverzwakt — weliswaar flexibeler, maar ook fragieler dan hij op het eerstegezicht lijkt.
Precies dat maakt dit dashboard zichtbaar— ver weg van slogans en simplificaties.