De Belgische verzekeringssector verkeert in blakende gezondheid, volgens het laatste rapport van Assuralia. Met een totale premie-inkomst van 37,9 miljard euro in 2025, een stijging van 8,4% ten opzichte van het voorgaande jaar, hebben Belgische verzekeraars zelden zo goed gepresteerd. Achter deze fraaie cijfers schuilt echter een groeiende bezorgdheid: die van een fiscaal kader dat de aantrekkelijkheid van de sector geleidelijk uitholt.
De interesse van Belgen in levensverzekeringsproducten wordt ruimschoots bevestigd. Deze producten maken het mogelijk om, naast pensioensparen en aanvullend sparen, een financieel supplement te verzekeren bij pensionering, of een erfenis op te bouwen voor kinderen en kleinkinderen. De motor van deze groei is zonder twijfel de individuele levensverzekering. De premie-inkomsten stegen met 19,6% tot 13,8 miljard euro — een prestatie die de blijvende appetijt van Belgen voor langetermijnspaarproducten illustreert, in een context waarin de financiële markten gunstig evolueerden.
Beide takken profiteren hier rechtstreeks van. Tak 21, producten met een gegarandeerde rente die populair zijn bij voorzichtige profielen, bereikte 7,5 miljard euro, een stijging van 5,4%, na groeicijfers van 11,2% in 2024 en 6,3% in 2023. De dynamiek is nog opvallender bij tak 23, gekoppeld aan beleggingsfondsen: gedragen door stijgende beurskoersen, steeg het premievolume met 31% tot 5 miljard euro.
Deze dubbele beweging — veiligheid en rendement — toont een Belgische spaarder die beter geïnformeerd is dan ooit en zijn langetermijnbeleggingen wil diversifiëren in een omgeving van blijvende rente-onzekerheid.
Precies daar wringt het schoentje. De CEO van Assuralia, Hein Lannoy, spaart zijn woorden niet: “De voorbije jaren heeft de Belgische wetgever systematisch obstakels opgeworpen die de mobilisatie van spaargeld afremmen in plaats van stimuleren”, verwijzend naar de premietaks, de taks op effectenrekeningen en de meerwaardebelasting als opeenstapelingen van fiscale druk die het beleggingsproduct steeds minder aantrekkelijk maken.
Merk echter op dat de aanvullende pensioenen van de 2de pijler een bijzondere fiscale behandeling genieten ten aanzien van de nieuwe belastingen die in 2026 werden ingevoerd. In tegenstelling tot klassieke financiële beleggingen blijven ze uitgesloten van de nieuwe taks van 10% op meerwaarden die op 1 januari 2026 in werking trad, evenals van de jaarlijkse taks op effectenrekeningen.
Daarentegen is de fiscaliteit bij uitbetaling van het kapitaal geëvolueerd. Tot 2025 was het systeem van solidariteitsbijdrage complex en omvatte het verschillende tarieven naargelang het bedrag en de datum van kapitaalsopbouw. Sinds 1 januari 2026 wordt een uniforme solidariteitsbijdrage van 2% aan de bron geheven op elk aanvullend pensioenkapitaal dat in één keer wordt uitbetaald, ongeacht het bedrag. Deze maatregel heeft het systeem aanzienlijk vereenvoudigd door de verschillende tarieven te vervangen door een uniform tarief.
Een nieuwe stap is gepland: vanaf 1 juli 2027 zal een bijkomende bijdrage van 2% worden toegepast op de schijf van het kapitaal boven 150.000 EUR, waardoor de totale bijdrage op dat hogere deel alleen op 4% komt.
Aan de kant van de zelfstandigen, goed nieuws: de taks op de premies voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen (VAPZ) werd afgeschaft sinds 1 januari 2026.
De waarschuwing verdient het om ernstig genomen te worden. België lijdt aan een structureel tekort aan mobilisatie van privéspaargeld naar productieve investeringen. Het is niet het spaargeld dat ontbreekt, maar wel de kanalen om spaargeld om te zetten in financiering van Belgische ondernemingen, die de voorkeur geven aan bankleningen (56,4%), zoals het Ministerie van Economie in 2025 benadrukte. Als levensverzekeringsproducten — die miljarden naar de kapitaalmarkten kanaliseren — hun fiscale aantrekkingskracht verliezen, wordt de hele financieringsketen van de Belgische economie verzwakt.
Het segment van de groepsverzekeringen herneemt de groei na een daling in 2024, met +0,8% tot 6,7 miljard euro. Bescheiden op het eerste gezicht, maar dit cijfer verbergt een aanzienlijk belang. In 2025 bouwden 4,5 miljoen werknemers een aanvullend pensioen op, goed voor ongeveer 78% van de actieve bevolking. Dat is niet onbelangrijk: met de vergrijzing en de druk op de overheidsfinanciën is de tweede pensioenpijler geen extra voordeel meer, maar een structurele noodzaak. Assuralia pleit voor een uitbreiding van de dekking en minimale bijdragen van 3% voor alle werknemers — een eis die ook Fediplus ondersteunt (dat pleit voor 6%) en die de regering-De Wever moeilijk kan negeren in haar begrotingsafwegingen.
Aan de kant van de niet-levensverzekeringen ligt de groei van 3,7% tot 17,3 miljard euro duidelijk lager dan in de voorgaande jaren (9,1% in 2023, 6,1% in 2024) — in reële termen, rekening houdend met een inflatie van 2,5%, bedraagt de groei slechts 1,3%. Auto (+4,5%) en ziekte (+6,7%) doen het relatief goed, maar de algemene afkoeling vraagt om voorzichtigheid.
Wat natuurrampen betreft, was 2025 een bijzonder rustig jaar, met 79 miljoen euro schade door stormen en slechts 16 miljoen door overstromingen — ver verwijderd van de 2,3 miljard veroorzaakt door de overstromingen van juli 2021. Deze relatieve rust mag beleidsmakers echter niet in slaap wiegen: Assuralia pleit voor een duidelijk wettelijk kader voor de vergoeding van grootschalige natuurrampen en stelt dat een duurzame oplossing waarbij alle partijen betrokken zijn nog veraf is.
De Belgische verzekeringssector blijft vooruitgaan, gedragen door dynamisch privéspaargeld en gunstige financiële markten. Maar zijn vermogen om zijn rol als schakel tussen het spaargeld van huishoudens en de financiering van de economie volledig te spelen, hangt af van een duidelijke politieke keuze: de fiscale druk verlichten of die verder blijven verzwaren. De regering-Arizona, op zoek naar zowel inkomsten als groei, kan niet eindeloos beide blijven nastreven.