Sinds 2004 genoten bepaalde voormalige kamerleden een aanvullend pensioen dat het wettelijke plafond met 1.562 euro per maand kon overschrijden, waardoor het totaal opliep tot bijna 10.000 euro bruto. De vzw Pensioenkas van de kamerleden had alle verkozenen toegestaan het wettelijke maximumpensioen te overschrijden, met een bonus van 20%. Deze situatie, onbekend bij het grote publiek, kwam aan het licht toen de pers in 2023 onthulde dat tientallen parlementsleden, in verschillende parlementen van het land, dit Wijninckx-plafond ruimschoots overschreden. Onder politieke druk stemden de betrokken assemblees in allerijl voor een terugkeer naar een strikte plafonnering.
De reactie van bepaalde benadeelde parlementsleden bleef niet uit. Na Siegfried Bracke spanden veertien voormalige Brusselse kamerleden een zaak aan om hun bijkomend pensioen boven het Wijninckx-plafond te behouden, waarbij het Pensioenfonds van het Brussels Parlement moest verschijnen voor de Eerste Kamer van de Franstalige Rechtbank van Eerste Aanleg van Brussel. Op federaal niveau hadden 32 voormalige Kamerleden een gelijkaardige procedure aangespannen.
In oktober 2025 had de rechtbank van eerste aanleg de vordering van de 14 voormalige Brusselse kamerleden al verworpen. Dat vonnis was goed nieuws voor de financiën van het Brussels Parlement: de budgettaire impact zou volgens de krant BruxellesToday 2,8 miljoen euro per jaar bedragen voor de Belgische overheidsfinanciën. Op 1 juli 2026 herhaalde de rechtbank van eerste aanleg deze redenering voor de federale parlementsleden. In haar motivering herinnert de rechtbank eraan dat de wetgever reeds in 1982, via de begrotingswet, had bepaald dat de parlementaire pensioenregelingen de plafonds die gelden in de openbare sector niet mochten overschrijden. De rechtbank verwierp eveneens het argument dat deze hervorming een aanzienlijke daling van de levensstandaard van voormalige politieke mandatarissen zou veroorzaken. De verlaging van het plafond betekent een daling van het maximumpensioen van 9.563,60 euro bruto naar 8.291,60 euro bruto per maand, ofwel een daling van ongeveer 13,3%. Dit vormt volgens de rechter geenszins een "sociaal drama", waarbij hij benadrukt dat het mediaan pensioen van recent gepensioneerden in België slechts 1.798 euro bruto per maand bedraagt.
Onder de eisers bevinden zich verschillende bekende figuren: Hugo Coveliers, die overstapte van de VLD naar het Vlaams Belang, Tony Van Parys (CD&V), Johan Sauwens, voormalig verkozene van de Volksunie die lid werd van CD&V, en Guy Coëme (PS). De 32 eisers kunnen nog in beroep gaan.
De beslissing van 1 juli regelt het dossier van de Belgische parlementaire bijkomend pensioenen. Ze sluit echter de veel complexere kwestie niet af van voormalige politieke mandatarissen die op Europees niveau carrière hebben gemaakt.
Figuren zoals Louis Michel (voormalig federaal minister en Europees commissaris), Guy Verhofstadt en Herman Van Rompuy illustreren een heel bijzonder geval: dat van voormalige Belgische politieke mandatarissen die hun carrière op Europees niveau hebben voortgezet. Eenmaal met pensioen, ontvangen zij zowel een Belgisch als een Europees pensioen, een cumul dat in bepaalde gevallen kan oplopen tot meer dan 16.000 euro bruto per maand. In België zijn overheidspensioenen in principe onderworpen aan het Wijninckx-plafond, dit jaar vastgesteld op 8.291,60 euro bruto per maand.
Precies dat gat wil de Arizona-regering dichten. Het regeerakkoord voorziet in de toepassing van het Wijninckx-plafond op het totale pensioenbedrag van personen met een gemengde, Belgisch-internationale loopbaan, een maatregel die al is verankerd in de programmawet van 2025. Concreet: als het Europees pensioen van een voormalig mandataris op zich al het plafond overschrijdt, zou die persoon helemaal geen Belgisch pensioen meer mogen ontvangen.
Maar het verzet is georganiseerd. Figuren zoals Louis Michel en Philippe Busquin zijn de hervorming gaan aanvechten voor het Grondwettelijk Hof. De Europese Commissie heeft de regering trouwens gewaarschuwd dat de toepassing van het Wijninckx-plafond zou kunnen worden gelijkgesteld met een nationale belasting op Europese inkomsten, iets wat de verdragen verbieden. Sommigen weigeren het bedrag van hun Europees pensioen mee te delen aan de Federale Pensioendienst, met een beroep op artikel 12 van Protocol nr. 7 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat voormalige EU-ambtenaren en -commissarissen vrijstelt van nationale belastingen, met het argument dat het Wijninckx-plafond neerkomt op zo'n belasting.
Het kabinet van minister Jambon verwerpt die analyse: het zou niet gaan om een nieuwe belasting, maar om een anti-cumulmaatregel die valt onder de sociale pensioenwetgeving, en niet om een fiscale maatregel. Om het Wijninckx-plafond op deze specifieke loopbanen toe te passen, moet de Federale Pensioendienst het exacte bedrag van het Europees pensioen van elke betrokkene kennen. De dienst heeft daarom 629 voormalige mandatarissen aangeschreven. Resultaat: slechts 188 reageerden, van wie er maar elf hun Belgisch pensioen effectief verlaagd zagen. De overige 441 hebben nog altijd niet gereageerd. Tegenover deze muur van stilzwijgen overweegt de regering een drukkingsmiddel: het preventief schorsen van het Belgisch pensioen van de onwilligen, met terugbetaling van de ingehouden bedragen zodra de gevraagde informatie wordt doorgegeven.
De gerechtelijke overwinning van 1 juli is reëel, maar gedeeltelijk. Ministers en parlementsleden kunnen immers nog steeds voor 2014 verworven rechten laten gelden vanaf 60 jaar, mits acht jaar mandaat. Rechten verworven voor 2019 blijven toegankelijk vanaf 62 jaar, na slechts één jaar mandaat. Ook een recht op overlevingspensioen bij wettelijke samenwoning blijft voor hen behouden, een voordeel dat niet bestaat voor gewone werknemers, ambtenaren en zelfstandigen.
Het dossier van de Europese pensioenen blijft volledig open: aan de ene kant het Grondwettelijk Hof, aan de andere kant de druk van de Europese Commissie, en daartussenin het passieve verzet van sommige betrokkenen. Louis Michel en consorten worden niet geraakt door het vonnis van 1 juli, en hun situatie blijft afhankelijk van juridische arbitrages die het louter Belgische recht overstijgen. Voor hen gaat de strijd verder, op een terrein dat aanzienlijk gladder is dan dat van de Brusselse rechtszalen.