Josiane is 71 jaar. Ze was achtendertig jaar onderwijzeres en ontvangt een brutopensioen van 2.340 euro per maand. In september verwachtte ze een stijging van 2%, zoals de Belgische automatische indexering voorschrijft. Ze zal die niet volledig ontvangen. En ze staat niet alleen: meer dan één op de twee Belgische gepensioneerden zal vanaf volgende maand de gevolgen van de "centenindex" voelen.
Het mechanisme is technisch, maar de impact is reëel. Sinds de spilindex in juni werd overschreden, zouden de lonen van de overheidssector, de pensioenen en de sociale uitkeringen in principe met 2% moeten stijgen in september. Alleen zal die verhoging niet meer volledig gelden boven een bepaalde grens. Voor Josiane, wiens pensioen boven 2.000 euro bruto ligt, wordt enkel de eerste schijf van 2.000 euro volledig geïndexeerd. Het overige deel van haar pensioen, die 340 euro extra, stijgt deze keer niet mee. Op haar betaalstrook van september zal ze dus iets minder dan de verwachte 2% ontvangen, zo'n veertig euro bruto extra, in plaats van een bedrag in verhouding tot haar volledige pensioen.
Deze "indexering in centen", gestemd in de Kamer op 28 mei 2026 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 1 juni, plafonneert voor het eerst op structurele wijze de Belgische automatische indexering. Het principe: boven een bepaalde inkomensgrens wordt slechts een deel van het loon, het pensioen of de uitkering nog aan het volle tarief geïndexeerd. Voor lonen ligt die grens op 4.000 euro bruto per maand. Voor pensioenen en sociale uitkeringen ligt ze de helft lager: 2.000 euro bruto. Deze plafonnering wordt tijdens deze legislatuur slechts tweemaal toegepast: bij de indexering van september 2026, en een tweede keer in 2028.
Josiane, net als ongeveer de helft van de Belgische gepensioneerden wier pensioen boven die grens van 2.000 euro ligt, wordt dus rechtstreeks getroffen. De andere helft, wiens pensioen onder dat plafond blijft, blijft de volledige indexering ontvangen.
Het publieke debat spitste zich tot nu toe vooral toe op de impact voor bedrijven en beter betaalde werknemers. Maar het jongste rapport van het Monitoringcomité, opgepikt in de economische pers, toont dat het grootste deel van de budgettaire opbrengst van de maatregel elders vandaan komt: van de pensioenen, en in het bijzonder die van gewezen ambtenaren. Josiane, met haar loopbaan in het onderwijs, belichaamt precies dat profiel.
Volgens het Federaal Planbureau ligt de totale netto-opbrengst van de maatregel tussen 570 en 745 miljoen euro per jaar voor alle overheden samen, eens het kruissnelheidsregime bereikt is. Van dat totaal zouden de besparingen op alle sociale uitkeringen samen stijgen van 85 miljoen euro dit jaar naar 620 miljoen euro in 2030. De pensioenen alleen zouden daar ongeveer 80% van vertegenwoordigen, tot 521 miljoen euro per jaar tegen die horizon. En binnen die pensioenen dragen die van gewezen ambtenaren het grootste gewicht: 328 miljoen euro in 2030, tegenover 180 miljoen euro voor pensioenen uit de privésector. De overige sociale uitkeringen, ziekte- of werkloosheidsuitkeringen, wegen aanzienlijk minder door in het totaal, met ongeveer 95 miljoen euro voor ziekte-uitkeringen in 2030 en een nog lager bedrag voor werkloosheid.
De reden schuilt in een bijna contra-intuïtief mechanisme. Wanneer een loon uit de privésector geplafonneerd wordt, realiseert de werkgever weliswaar een besparing, waarvan de helft moet worden teruggestort aan de schatkist via een bijdrage voor loonmatiging. Maar de Staat verliest ook inkomsten elders: minder personenbelasting, minder sociale bijdragen, aangezien het loon minder snel stijgt. Volgens het Monitoringcomité is het nettosaldo van dat effect zelfs negatief voor privélonen.
Voor pensioenen bestaan die budgettaire lekken veel minder. De fiscale druk op een pensioen ligt aanzienlijk lager dan die op een loon. Het gevolg: de brutobesparing op een geplafonneerd pensioen verandert bijna volledig in een nettobesparing voor de Staat. En omdat veel ambtenarenpensioenen, doorgaans hoger dan die uit de privésector, boven de grens van 2.000 euro liggen, is het net dit publiek dat het grootste deel van de rekening draagt. Josiane, met haar 2.340 euro bruto uit een volledige loopbaan in het onderwijs, bevindt zich precies in die zone die de Staat het meest oplevert en die het meest aan koopkracht verliest.
Voor gepensioneerden zoals Josiane komt deze plafonnering van september niet alleen. Ze komt bovenop andere beslissingen die de regering De Wever eerder al nam, met name de plafonnering van de indexering van de hoogste wettelijke pensioenen en de bevriezing van het absolute maximum, een aparte maatregel die op zich al een budgettaire besparing van ongeveer 250 miljoen euro tegen 2030 vertegenwoordigt.
De vakbonden hebben al aangekondigd de geplafonneerde indexering voor het Grondwettelijk Hof te zullen brengen. De krant meldt dat ook de werkgeversorganisaties de maatregel betwisten, maar om de omgekeerde reden: zij vrezen de bijdrage voor loonmatiging onbeperkt te moeten blijven betalen, terwijl ze zelf maar tweemaal van de plafonnering zullen profiteren. Tussen die twee fronten in zijn het gepensioneerden zoals Josiane die vanaf september het verschil op hun rekening zullen zien.