De budgettaire impact van de hervorming is aanzienlijk. De vergrijzingskost, gemeten als de stijging van de sociale uitgaven tussen 2024 en 2070 uitgedrukt als percentage van het bbp, daalt met 1,3 procentpunt als gevolg van de hervorming, wat neerkomt op een vermindering van ongeveer een derde van de kost in vergelijking met een scenario zonder hervorming. De onderstaande grafiek ontleedt de maatregelen die daar het meest toe bijdragen. De afschaffing van de preferentiële tantièmes in de bijzondere stelsels (militairen, spoorwegpersoneel, leerkrachten...) weegt op zichzelf het zwaarst, met 0,4 procentpunt van het bbp. Het nieuwe bonus-malussysteem en de tijdelijke opschorting van de welzijnsenveloppe dragen elk 0,3 procentpunt bij.

Volgens het rapport concentreert de impact zich hoofdzakelijk op twee stelsels: de ambtenaren (0,7 procentpunt bbp aan besparingen) en de werknemers (0,6 procentpunt). Zelfstandigen worden verhoudingsgewijs minder getroffen.
Dit is het punt waarop het rapport van het Planbureau ongemakkelijk wordt voor de regering. Om deze besparingen te realiseren, zullen de toekomstige pensioenen mechanisch lager liggen dan zonder hervorming. Deze tweede grafiek illustreert de daling van de vervangingsratio in 2070, dat wil zeggen de verhouding tussen het pensioen en het laatste beroepsinkomen.

Voor ambtenaren is de daling zwaar: de vervangingsratio daalt gemiddeld met 15,2%, voornamelijk door de afschaffing van de preferentiële tantièmes en de verlenging van de referentieperiode voor de pensioenberekening. Mannen worden in dit stelsel iets harder getroffen dan vrouwen, met respectievelijk 15,7% tegenover 14,8%.
In het werknemersstelsel bedraagt de daling 7,2%. Hier keert de logica zich om: vrouwen lijden meer (-7,3% tegenover -7,0% voor mannen), met name omdat het bonus-malussysteem fragmentarische loopbanen benadeelt, die overwegend vrouwelijk zijn. De onderstaande grafiek, over de benefit ratio, bevestigt deze asymmetrie: in het werknemersstelsel daalt het gemiddelde pensioen van vrouwen met 6,6% tegenover 5,8% voor mannen.
Bij zelfstandigen is de daling gematigder (-3,2%), maar ook hier worden vrouwen verhoudingsgewijs harder getroffen dan mannen in 2070 (-3,8% tegenover -2,4%).
Het Planbureau hanteert twee aanvullende indicatoren die het waard zijn om te onderscheiden. De vervangingsratio meet wat nieuwe gepensioneerden ontvangen ten opzichte van hun laatste loon — dat is de foto bij de pensionering. De benefit ratio meet de verhouding tussen het gemiddelde pensioen van alle gepensioneerden en het gemiddelde inkomen van de actieven — dat is de film over de volledige duur van de pensionering. Beide indicatoren vertellen hetzelfde verhaal, met iets gematigdere effecten op de benefit ratio omdat de maatregelen geleidelijk van toepassing zijn op nieuwe generaties.
De genderanalyse van het rapport is een van de belangrijkste — en meest verontrustende — bijdragen. In vrijwel alle stelsels vergroot de hervorming de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen. Het Planbureau zegt het expliciet: in de stelsels van werknemers en zelfstandigen "dragen deze verschillen bij tot het vergroten van de pensioenkloof tussen vrouwen en mannen". Alleen het ambtenarenstelsel vormt een uitzondering, waar de daling mannen iets harder treft.
Dit is een opvallende paradox: een hervorming die als structureel en billijk wordt gepresenteerd, vergroot structureel een ongelijkheid die al op 24,5% gedocumenteerd is op Europees niveau. Voor deeltijdse werkneemsters, vrouwen met onvolledige loopbanen of met precaire statuten — profielen die oververtegenwoordigd zijn bij vrouwen — tekent zich tegen 2070 een dubbele bestraffing af.
In theorie zou de uitbreiding van de tweede pijler naar een breder publiek deze gemiddelde pensioenverlies moeten compenseren, mits die uitbreiding er ook werkelijk komt. De recentste cijfers van de FSMA wijzen echter op een duidelijke vaststelling: de tweede pijler is nog onvoldoende aanwezig bij werknemers en zelfstandigen. Erger nog, opdat het gemiddelde pensioenverlies maandelijks door de tweede pijler zou worden opgevangen, zou het kapitaal als rente aan de aangeslotenen moeten worden uitgekeerd… wat slechts voor 1% van hen het geval is.
De instelling benadrukt dat haar projecties tot 2070 op onzekere veronderstellingen berusten, met name wat betreft de gedragsveranderingen die de hervorming zou kunnen teweegbrengen. Het uitstellen van de pensionering, aangespoord door de bonus en ontmoedigd door de malus, verhoogt het bbp lichtjes en verzacht gedeeltelijk de budgettaire impact. De gepresenteerde cijfers zijn tendensen, geen zekerheden.
Toch is de kernboodschap duidelijk: de pensioenhervorming van de regering-De Wever verlicht de rekening voor de overheidsfinanciën duurzaam. Ze verzwaart die, even duurzaam, voor de toekomstige gepensioneerden… en nog meer voor vrouwen.