Dit is een situatie die alle Belgen maar al te goed kennen. Enkele weken na een kort verblijf in het ziekenhuis – de ene voor een onderzoek, de andere voor een meer of minder ingrijpende operatie – valt er een brief in onze brievenbus met op de envelop het logo van het ziekenhuis waar we werden verzorgd. Eenmaal geopend, geeft de factuur een overzicht van de kosten die enerzijds door het ziekenfonds en anderzijds door de patiënt worden gedragen. Tussen die lijnen blijft er één vaak wat onduidelijk… “ereloonsupplementen”, volledig ten laste van de patiënt. Waar gaat het precies om? Analyse van een supplement dat heel wat tanden doet knarsen, te beginnen bij het Intermutualistisch Agentschap (IMA) en bij Frank Vandenbroucke, minister van Volksgezondheid.

De conclusies van de recente ziekenhuisbarometer van het IMA zijn duidelijk: Belgen betalen steeds meer voor hun gezondheidszorg, die daardoor ook steeds moeilijker te voorspellen wordt. De oorzaak? De stijging van de ereloonsupplementen, die “met 9,1 % zijn toegenomen ten opzichte van 2023, een groei die duidelijk sneller verloopt dan die van de tussenkomst van de ziekteverzekering (+5,6 %) of van het remgeld (+1,5 %). Een bijkomend probleem: in euro’s zijn deze supplementen niet geplafonneerd en het percentage kan variëren van 100 % tot 300 %, afhankelijk van het ziekenhuis”, zo meldt de RTBF. En Frank Vandenbroucke is daar bijzonder verontwaardigd over: volgens hem bestaat er een reëel risico om af te glijden naar een Amerikaans systeem. “Ik weiger een gezondheidszorgsysteem dat uitsluit en ongelijkheden versnelt”, zo, onderstreept hij.

Maar wat zijn die “ereloonsupplementen” nu eigenlijk? De term lijkt afkomstig uit de administratieve achterkamers: een vaag en nevelig concept. Om het te begrijpen, moeten we vertrekken van het principe van de conventionering van artsen. Volgens Test-Aankoop geldt dat “wanneer een arts zich aansluit bij het nationaal akkoord dat de relaties tussen artsen en verzekeringsinstellingen regelt, is hij verplicht de officiële tarieven toe te passen voor terugbetaalbare prestaties. Men spreekt dan van een ‘geconventioneerde’ arts. Een arts kan zich echter slechts gedeeltelijk engageren, of zelfs helemaal niet geconventioneerd zijn. In dat geval mag hij vrij hogere tarieven aanrekenen, ook voor terugbetaalbare prestaties.” En precies daar overschrijden sommigen het wettelijk honorarium dat door het RIZIV is vastgelegd: dat zijn de zogenaamde ereloonsupplementen. Die supplementen zijn volledig ten laste van de patiënt en worden niet terugbetaald door de verplichte verzekering.

De barometer stelt vast dat “bijna een kwart (23,2 %) van alle uitgaven voor gezondheidszorg door de patiënt zelf werd gedragen”. Dat aandeel ligt hoger dan in de buurlanden, maar ook hoger dan in Noorwegen (14 %), Zweden (15 %), Denemarken (17 %) en het Verenigd Koninkrijk (21 %). De experts achter de barometer benadrukken bovendien dat de supplementen sinds 2020 letterlijk geëxplodeerd zijn. We gingen van 37,2 miljoen euro aan niet-terugbetaalbare honoraria naar 509,7 miljoen euro in 2024. In vier jaar tijd is dat bedrag dus vermenigvuldigd met 13.

Hoe valt dat te verklaren? Niet zonder een zekere ironie merkt de barometer op dat “ziekenhuizen een zekere creativiteit aan de dag leggen” om het wettelijk maximum van factureerbare ereloonsupplementen – vastgelegd op 300 % – te overschrijden. Hoe? “Onder meer door dit percentage te laten variëren naargelang de discipline”, of door “de patiënt en de behandelende arts een persoonlijke overeenkomst te laten ondertekenen die een hoger maximumpercentage aan ereloonsupplementen voorziet dan het officiële algemene maximum”. Het resultaat is dat “de patiënt geen enkele tariefzekerheid heeft en in werkelijkheid bij zijn ziekenhuisopname een blanco cheque ondertekent”.

Tegen deze situatie haalt het Christelijk Ziekenfonds zwaar geschut boven: het pleit er op termijn voor om de ereloonsupplementen volledig af te schaffen. “Het is niet normaal dat patiënten de financiële tekorten van ziekenhuizen moeten compenseren”, klinkt het, waarbij ook wordt benadrukt dat deze prijsstijgingen de meest kwetsbare burgers ertoe aanzetten om zorg uit te stellen. Een onaanvaardbare situatie, zowel voor de minister als voor het ziekenfonds.

En het is waar dat de Belgische ziekenhuizen een moeilijke periode doormaken, zoals blijkt uit de MAHA-studie (Model for Automatic Hospital Analyses) van Belfius. In totaal boeken de 80 ziekenhuizen van het land een verlies van 42 miljoen euro. Toch is er ook positief nieuws: hun financiële situatie verbetert. In 2023 bedroeg het tekort nog 174 miljoen euro. Om deze tekorten op te vangen, kunnen de ziekenhuizen rekenen op verschillende steunmaatregelen in het kader van het COVID-beheer, maar ook op een regularisatie van de overheidsfinanciering via het Budget van de Financiële Middelen. Belfius waarschuwt echter dat deze situatie niet langer houdbaar is. “Hoewel de ziekenhuissector tijdens de COVID-19-crisis kon rekenen op aanzienlijke financiële tussenkomsten van de overheid, zijn de verschillende beleidsniveaus vandaag genoodzaakt hun eigen overheidsfinanciën te saneren”, aldus de experts. Dat blijkt ook uit het feit dat het RIZIV in oktober 2025 het regeringsbudget goedkeurde, dat tal van besparingen in de gezondheidszorg bevatte, tot grote onvrede van de sociale partners, die er niet in geslaagd waren een begrotingsakkoord te bereiken.