
Deze daling weerspiegelt een specifiek aspect van de vergrijzing van de Belgische samenleving. De generaties die vandaag met pensioen gaan, bestaan uit koppels waarin beide partners hebben gewerkt, vaak voltijds, gedurende hun hele loopbaan. Het model van het eenverdienersgezin (een man met een loon, een vrouw die thuisblijft), dat de naoorlogse decennia domineerde, verdwijnt geleidelijk. Vrouwen die geen of weinig eigen pensioenrechten hadden, verdwijnen stap voor stap uit de statistieken.
Maar het meest opvallende gegeven is de evolutie van de uitgaven. Terwijl het aantal begunstigden daalt, blijft de totale maandelijkse uitgave vrijwel stabiel (rond 490 tot 500 miljoen euro per maand). Het gemiddelde maandelijkse pensioen per begunstigde is gestegen van 1.647 euro in 2020 tot 2.143 euro in 2025, een toename van bijna 30% in vijf jaar. Hoe valt dat te verklaren? Gedeeltelijk door de indexering, maar ook doordat de overblijvende begunstigden doorgaans langere loopbanen hebben opgebouwd en hogere referentielonen hadden bij gehuwde mannen, die nog steeds 98,5% van de begunstigden van het gezinstarief uitmaken.
Deze geleidelijke verschuiving roept een vraag op van rechtvaardigheid met een dubbele dimensie (zowel intergenerationeel als gendergebonden) die de regering-De Wever vroeg of laat zal moeten beantwoorden: naarmate het gezinstarief vanzelf verdwijnt, welke vormen van partnergebonden solidariteit zullen het overnemen?