Denemarken wordt vaak als voorbeeld aangehaald voor zijn pensioenstelsel, dat regelmatig tot een van de beste ter wereld wordt gerekend. Toch onthult een nieuwe studie, gepubliceerd op 7 juli door F&P, de Deense federatie van verzekeraars en pensioenfondsen, een structureel gebrek: ongeveer 150.000 Deense werknemers, of 7% van alle werkenden, hebben in de loop van een jaar geen enkele pensioenstorting verricht. En de breuklijn is duidelijk: de grootte van de onderneming.

Hoe kleiner de onderneming, hoe groter het risico

In Deense ondernemingen met 1 tot 4 werknemers bouwt 29% van de werknemers geen aanvullend pensioen op. Dat cijfer daalt tot 14% in ondernemingen met 5 tot 9 werknemers, en tot slechts 4% in ondernemingen met minstens 30 werknemers. De helft van de werknemers zonder aanvullende pensioenbijdrage werkt in ondernemingen met minder dan 10 personen. In grote structuren doen de collectieve en verplichte regelingen hun werk: vrijwel alle werknemers zijn automatisch gedekt. In zeer kleine ondernemingen bestaat dit automatisme niet, bij gebrek aan dekking, of wordt het niet geactiveerd… zonder enig gevolg voor de in gebreke blijvende ondernemingen.

"Dit verhoogt uiteraard het risico om bij het bereiken van de pensioenleeftijd niet over een toereikend pensioen te beschikken", stelt Lotte Katrine Ravn, pensioenverantwoordelijke bij F&P. "Het is belangrijk dat zowel werkgevers als werknemers zich bewust zijn van de gevolgen van het ontbreken van bijdragen." Het wettelijk pensioen, folkepension genoemd, bestaat uit twee delen. Het eerste deel is het grundbeløb, het basisbedrag, identiek voor alle gepensioneerden ongeacht hun inkomen: 7.544 kronen per maand in 2026, ofwel ongeveer 1.010 euro, een bescheiden bedrag dat niet varieert.

Het tweede deel is het pensionstillæg, een geïndividualiseerde toeslag die afhangt van het inkomen en het vermogen van de begunstigde. Deze kan oplopen tot 8.729 kronen per maand voor een alleenstaande gepensioneerde, ofwel ongeveer 1.170 euro, en 4.467 kronen voor een gepensioneerde die samenwoont met een partner, ofwel ongeveer 598 euro. Deze toeslag wordt echter verminderd, of zelfs volledig geschrapt, als de gepensioneerde over andere inkomsten beschikt, met name een aanvullend pensioen uit de tweede pijler.

Zelfstandigen, de eerste betrokkenen

Het fenomeen treft ook de bedrijfsleiders zelf. In zeer kleine ondernemingen komt het vaak voor dat noch de werkgever, noch de werknemers bijdragen aan een aanvullend pensioenstelsel. F&P wijst echter op een mogelijk positief sneeuwbaleffect: wanneer werknemers een pensioen opbouwen, neigt de bedrijfsleider er zelf ook toe er een op te bouwen. De dynamiek kan dus in beide richtingen werken.

Een spiegel voorgehouden aan België

De parallel met België is opvallend. De door de FSMA gepubliceerde gegevens bevestigen dat de dekking van het aanvullend pensioen sterk ongelijk blijft naargelang de sector en de grootte van de onderneming. Belgische zelfstandigen, met een mediaan aanvullend pensioen omgezet in rente van 92 euro per maand, illustreren dezelfde realiteit als hun Deense tegenhangers in kleine structuren: de vrijheid om niet bij te dragen wordt afgekocht met een grotere kwetsbaarheid op pensioenleeftijd.

Precies om deze asymmetrie te corrigeren heeft pensioenminister Jan Jambon het doel vastgelegd van een minimale werkgeversbijdrage van 3% voor alle werknemers tegen 2035. Het Deense geval herinnert eraan dat een goed pensioenstelsel op zich niet volstaat: het moet ook effectief iedereen dekken, ook in de structuren die ontsnappen aan collectieve overeenkomsten en aan de automatismen van grote ondernemingen. Zonder bindende verplichting blijven de blinde vlekken bestaan, zelfs in de landen die als voorbeeld worden aangehaald.