Sommige ongunstiger regelingen passeren onopgemerkt, maar andere roepen een golf van protest op. De regeling die een massaal intersyndikaal front van de Belgische culturele sector (met meer dan vijftig ondertekenende organisaties) eensgezind aan de kaak stelt, dreigt duizenden kunstenaars te veroordelen tot een pensioen in armoede.

Wat Jambon voorstelt, en waarom dat problematisch is

Pensioenminister Jan Jambon heeft aangekondigd dat hij de periodes vóór 1 maart 2014 niet langer wil meenemen in de berekening van het gewoon pensioen van kunstenaars. Het argument: 2014 zou het beginpunt markeren van de neutralisering van vergunde periodes voor deze sector. Een kunstenaar die zijn loopbaan vóór die datum begon, zou zo verscheidene jaren pensioenrechten kunnen verliezen.

Het probleem is dat deze bewering historisch onjuist is. De ondertekenende organisaties documenteren dit: al in 1963 voorzag het koninklijk besluit over de werkloosheid in specifieke bepalingen voor werknemers met kortlopende contracten. In 1992 bevestigden verscheidene reglementaire teksten het bevriezen van de degressiviteit van de uitkeringen voor kunstenaars. De hervorming van het kunstenaarsstatuut in 2012 verlengde deze logica. 2014 aanwijzen als beginpunt van de neutralisering, is vijftig jaar sectoraal sociaal recht negeren.

Een structurele, geen gekozen onvaste loopbaan

Om de inzet te begrijpen, moet men de bijzondere aard van artistiek werk vatten. Een auteur, een acteur, een jazzmuzikant of een technicien in de podiumkunsten schakelt niet van de ene vaste overeenkomst naar de andere. Zijn activiteit is structureel onzeker, met onbezoldigde creatieperiodes tussen twee engagementen. Het is precies om die realiteit te erkennen dat het statuut van de kunstenaar werd ontworpen: de kunstenaarsuitkering is geen gewone werkloosheidsuitkering gekoppeld aan het ontbreken van werk, maar een erkenning van de onbezoldigde creatieperiodes die inherent zijn aan het beroep.

Deze logica wordt overigens gedeeld door andere categorieën van werknemers met onregelmatige arbeidsperiodes: zeevissers en dokwerkers. En daar wordt de regeling van Jambon moeilijk te verantwoorden. Alle partijen van de Arizona-meerderheid waren overeengekomen rekening te houden met de bijzonderheden van deze atypische werknemers. De kunstenaars van dat engagement uitsluiten, is een expliciete discriminatie creëren tussen beroepscategorieën die nochtans dezelfde fundamentele realiteit delen.

Een reëel juridisch risico

De ondertekenende organisaties beperken zich niet tot principiële argumenten. Zij wijzen op een mogelijke schending van de artikelen 10 en 11 van de Belgische Grondwet, die gelijkheid en non-discriminatie garanderen. Twee ongelijkheden van behandeling worden vastgesteld: tussen kunstenaars die de pensioenleeftijd naderen en rechtstreeks worden benadeeld door de maatregel, en de jongere beroepskrachten in de sector; en tussen kunstenaars enerzijds, zeevissers en dokwerkers anderzijds, die nochtans in een vergelijkbare beroepssituatie verkeren. De ondertekenaars sluiten niet uit de bevoegde rechtsinstanties te vatten als de maatregel zou worden gestemd.

Een zelden zo eensgezind cultureel front

Wat opvalt in dit communiqué, is de omvang van de coalitie die het draagt. Van SABAM tot PlayRight, van de SACD tot ACV, van ACOD tot SYNOVA (ex-ACLVB), van theaterkoepels tot stripverenigingen, van regisseurs tot filmtechnici: zelden heeft de Belgische culturele sector, in al zijn taalkundige en professionele diversiteit, zich met zulke unanimiteit met één stem uitgesproken. Het politieke signaal is moeilijk te negeren.

Voor de kunstenaars die de pensioenleeftijd naderen, is de inzet onmiddellijk en concreet. Jaren loopbaan uitgewist uit de pensioenberekening betekent een gekortwiekt pensioen (soms op significante wijze) voor beroepskrachten wier inkomsten zelden hoog waren.