Lange tijd werd deze periode toch gelijkgesteld met arbeid voor de berekening van het pensioen. Maar de Arizona-hervorming van de regering-De Wever had een verontrustende nieuwigheid ingevoerd: in het kader van de nieuwe regeling voor vervroegd pensioen op 60 jaar na 42 jaar loopbaan zou de militaire dienst simpelweg verdwijnen uit de berekeningscriteria. Een beslissing die een golf van protest ontketende, vooraleer ze begin maart 2026 definitief werd teruggedraaid. Een overzicht van de politieke ommekeer.
Alles begint met een baanbrekend arrest van het Grondwettelijk Hof. Gevat na een beroep van de drie vakbonden (ACV, ABVV en ACLVB) aangevuld door verschillende armoedebestrijdingsorganisaties, vernietigt het Hof gedeeltelijk de wet van 25 april 2024, die een nieuwe voorwaarde invoerde, namelijk 20 jaar "effectieve arbeid", waarbij onder meer… de militaire dienst werd uitgesloten. Na onderzoek van de wet oordeelde het Hof dat de militaire dienst, lock-outdagen, periodes als sociale rechter, voorlopige hechtenis en periodes van syndicale opdracht in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van het gegarandeerd minimumpensioen.
De hoogste rechtbank ging zelfs verder, aldus het ACV, door duidelijke grenzen te stellen aan de uitvoerende macht: het Hof preciseert dat dergelijke beperkingen niet bij koninklijk besluit kunnen worden ingevoerd.
De vakbonden trekken dan ook snel conclusies uit dit arrest voor de lopende hervorming. In een gezamenlijk communiqué stellen het ACV, het ABVV en het ACLVB dat "één van de logische gevolgen is dat de militaire dienst zal moeten worden meegeteld in het nieuwe systeem van vervroegd pensioen na '42 effectieve jaren'". Ze omschrijven het arrest als een "duidelijke waarschuwing" aan de Arizona-regering en waarschuwen dat andere plannen van minister Jambon, zoals de pensioenmalus en de begrenzing van gelijkgestelde periodes, eveneens het risico lopen te worden verworpen door het Grondwettelijk Hof.
Enkele dagen later geeft de RTBF het woord aan Dominique Marchant, onderzoeker in de chemische sector, die de frustratie van een hele generatie symboliseert. Woedend ontdekt hij deze wettelijke bepaling die in 2027 van kracht zou worden en waardoor mensen die militaire dienst hebben gedaan, dat jaar van opvordering niet meer zouden kunnen meetellen bij de berekening van hun pensioenjaren. Voor hem is dit duidelijk discriminatie: "Het was de Staat die de militaire dienst verplicht stelde en mij verhinderde te werken, en nu zou hij mij bestraffen omdat hij mij zelf een jaar werk heeft ontnomen!"
Het kabinet van pensioenminister Jan Jambon (N-VA) probeert de bezorgdheid te minimaliseren door erop te wijzen dat de militaire dienst wel degelijk in aanmerking wordt genomen voor de pensioenberekening bij de klassieke regelingen voor vervroegd pensioen op 60 jaar na 44 jaar, op 61 jaar na 43 jaar, of op 63 jaar na 42 jaar. "Dat is vandaag het geval en dat zal zo blijven", verzekert het kabinet.
Het kabinet erkent echter dat de verplichte militaire dienst niet in aanmerking wordt genomen voor de nieuwe bijkomende mogelijkheid van vervroegd pensioen vanaf 60 jaar na 42 loopbaanjaren met 234 effectief gewerkte dagen, het paradepaard van de Arizona-hervorming.
23 februari 2026: Het debat krijgt een gendergelijkheidsdimensie
In een opiniestuk gepubliceerd in La Libre brengen twee voormalige dienstplichtigen (een scheikundig ingenieur en een verpleger) het debat op het vlak van gelijke behandeling en juridische coherentie. Ze herinneren eraan dat het gaat om een uitsluitend mannelijke verplichte beroepsonderbreking, en dat in verschillende sectoren deze maanden in uniform zelfs nooit als geldelijke anciënniteit zijn erkend. Deze periodes uitsluiten van de berekening van het vervroegd pensioen zou een dubbele straf betekenen: de loopbaan eerst verlengd door wettelijke verplichting, een tweede keer door administratieve hervorming. Gendergelijkheid werkt in beide richtingen, benadrukt dit opiniestuk.
Ze beroepen zich ook op Europese rechtspraak, met name de arresten Griesmar en Leone van het Europees Hof van Justitie, en herinneren eraan dat een neutrale regel discriminerend kan worden als die nagenoeg uitsluitend één geslacht benadeelt, en dat 100% van de personen die geraakt werden door de verplichte militaire dienst mannen waren, bij beslissing van de wetgever.
Op 5 maart, een donderslag bij heldere hemel tijdens een plenaire vergadering van de Kamer, kondigt pensioenminister Jan Jambon aan, in antwoord op een vraag van volksvertegenwoordiger Axel Weydts (Vooruit), dat hij de militaire dienst wil opnemen in de berekening van het vervroegd pensioen vanaf 60 jaar na 42 loopbaanjaren.
De volgende dag, op 6 maart 2026, volgt het definitieve akkoord. De federale regering bereikt een eindakkoord over de pensioenhervorming tijdens de derde lezing van de wet in de ministerraad. Het staat vast dat de militaire dienst zal worden meegeteld in de nieuwe regeling voor vervroegd pensioen, die toegankelijk zal zijn vanaf 60 jaar, na 42 loopbaanjaren.
De periode van militaire dienst wordt voortaan meegeteld in de berekening van de 42 jaar effectieve arbeid die nodig zijn om vervroegd pensioen te kunnen opnemen vanaf 60 jaar. Minister Francken, die deze maatregel heeft gedragen, heeft dit in duidelijke bewoordingen gemotiveerd: "Wie zijn militaire dienst heeft vervuld, heeft zich ingezet voor het land. Het is logisch dat zij daarvoor respect en erkenning terugkrijgen en dat dit ook correct wordt meegenomen in hun pensioenrechten."
De maatregel corrigeert ook een generatieonrechtvaardigheid: er konden verschillen ontstaan binnen families, bijvoorbeeld tussen oudere zonen die de militaire dienst nog moesten vervullen en hun jongere broers die er niet meer toe verplicht waren.
Het akkoord van 6 maart 2026 moet nog verschillende stappen doorlopen vooraleer de maatregelen definitief worden: het wetsvoorstel moet worden ingediend bij de Kamer, besproken en gestemd. De vakbonden blijven van hun kant waakzaam: ze hadden gewaarschuwd dat andere onderdelen van de hervorming, met name de pensioenmalus en de begrenzing van gelijkgestelde periodes, op hun beurt het voorwerp kunnen worden van beroepen bij het Grondwettelijk Hof.
In minder dan vier weken heeft de Arizona-regering, onder gecombineerde druk van een rechterlijk arrest, de publieke opinie en een intensief parlementair debat, een significante ommekeer gemaakt en eindelijk erkend dat een Staat die verplichtingen oplegt aan zijn burgers, de volledige gevolgen daarvan voor hun sociale rechten op zich moet nemen.