In Nederland bent u verzekerd op basis van de Algemene Ouderdomswet (AOW) als u in Nederland woont of werkt, met enkele uitzonderingen (zoals gedetacheerde werknemers). Iedereen die de wettelijke pensioenleeftijd bereikt, heeft recht op een AOW-uitkering (basisinkomen). Dit wordt ook wel het pensioen van de eerste pijler genoemd.
De tweede pijler is verplicht en dekt bijna 90% van de werknemers. Deze wordt gefinancierd door werkgevers, die een premie betalen waarmee werknemers een aanvullende uitkering ontvangen, afhankelijk van de prestaties van de pensioenfondsen die deze uitkeren. Voor een loopbaan van 40 jaar streeft dit systeem naar een vervangingsratio van ongeveer 70% van het laatste loon (tegenover ongeveer 67% in België volgens de OESO), inclusief het basispensioen.
Nederland telt ongeveer 80 bedrijfstakpensioenfondsen, aangevuld met 11 beroepspensioenfondsen voor vrije beroepen.
De wettelijke pensioenleeftijd bedroeg 66 jaar en 7 maanden in 2022, 66 jaar en 10 maanden in 2023, en 67 jaar in 2024 en 2025.
Vanaf januari 2026 zal de wettelijke pensioenleeftijd enkel nog worden verhoogd indien de levensverwachting verder stijgt. De AOW blijft behouden, maar de tweede pijler ondergaat een grondige hervorming.
De Wet toekomst pensioenen (WtP), die in 2023 in werking trad en een overgangsperiode tot 2028 voorziet, vervangt het oude systeem van de doorsneepremie door regelingen met premieovereenkomsten. De door de werkgever betaalde premie wordt gestort in een pensioenfonds dat deze op de financiële markten belegt. De rendementen — en dus ook de uitkeringen uit de tweede pijler — kunnen daardoor fluctueren.
Het verschil met het oude systeem? De premies zijn eerlijker voor jonge werknemers. In het vorige stelsel betaalden jongeren relatief meer dan oudere werknemers.
Bovendien wordt het risico gelijkmatiger verdeeld over de deelnemers. Zoals de Pensioenfederatie (de Nederlandse federatie van pensioenfondsen) benadrukt, zijn fondsen “wettelijk verplicht rekening te houden met de risicovoorkeuren van deelnemers, evenals met duurzaamheidsrisico’s — zoals klimaatverandering — die de financiële prestaties van ondernemingen kunnen beïnvloeden”.
Iedereen kan dus zijn risicoprofiel bepalen, voornamelijk door te kiezen tussen de solidaire premieregeling (SPR), die voorziet in een gezamenlijke solidariteitsreserve om economische schokken op te vangen, en de flexibele premieregeling (FPR), die risicovoller is maar potentieel hogere rendementen biedt. Beide regelingen kennen specifieke instellingsmogelijkheden om aan de voorkeuren van burgers tegemoet te komen.
Samengevat blijven de pensioenpremies collectief belegd, maar beschikt elke burger over een individuele pensioenrekening die zijn of haar aandeel weerspiegelt, wat zorgt voor meer transparantie.
De reeds opgebouwde rechten verdwijnen echter niet. Ze worden geleidelijk overgedragen naar het nieuwe systeem via een proces dat invaren wordt genoemd — vandaar de overgangsperiode. De Nederlandse wet vereist dat deze omzetting evenwichtig gebeurt: de startwaarde van de nieuwe pensioenrekening moet overeenkomen met wat reeds werd opgebouwd.
De overgangsplannen van het oude naar het nieuwe systeem moeten worden uitgewerkt in overleg met werknemersvertegenwoordigers (vakbonden of ondernemingsraad) en worden goedgekeurd door de besturen van de pensioenfondsen, die bestaan uit vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en vaak ook gepensioneerden.
Hoewel de overgang goed op gang is, verloopt zij niet zonder uitdagingen. In een persbericht dat in januari werd gepubliceerd, schetst de Pensioenfederatie zowel de vooruitgang als de knelpunten van de transitie.
Allereerst benadrukt zij het belang van betrokkenheid van alle actoren, terwijl de IT-systemen worden aangepast. Het wijzigen van de spelregels tijdens het proces is uitgesloten, aangezien dit de overgang zou vertragen. Daarnaast vraagt de federatie om stabiel en voorspelbaar beleid. Alleen onder die voorwaarden kunnen alle pensioenfondsen een succesvolle transitie voor hun deelnemers garanderen.
Tot slot pleit de Pensioenfederatie voor verdere verbetering van communicatie en transparantie rond pensioenen, aangezien “het ook belangrijk is om gelaagde informatie aan te bieden: van een kernboodschap in één oogopslag tot meer diepgaande uitleg voor wie dat wenst.” Volgens haar is dat de prijs die moet worden betaald om te werken aan een solide pensioen voor vandaag en morgen, in een wereld die gezond en leefbaar blijft.