2,54 miljard euro per jaar. Dat kost het pensioenstelsel wegens lichamelijke ongeschiktheid, bestemd voor ambtenaren, de Belgische Staat, een regeling die de vorige regering heeft laten uitdoven. En in dit dossier vallen twee overheidsbedrijven duidelijk op: de NMBS en bpost.

Het cijfer werd bekendgemaakt door pensioenminister Jan Jambon (N-VA), in antwoord op een parlementaire vraag van Vincent Van Quickenborne (Anders). Het gaat om 85.227 pensioenen wegens lichamelijke ongeschiktheid, toegekend aan statutaire personeelsleden, over alle overheidswerkgevers samen. Van dat totaal telt de NMBS er 11.190 en bpost 9.815, samen meer dan een kwart.

Kroniek van een aangekondigde dood

Het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid liet een statutair ambtenaar toe om, eens zijn ziektedagen opgebruikt waren, definitief op pensioen te worden gesteld om medische redenen. Deze pensioenregeling vindt haar oorsprong in de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen. Die liet ambtenaren van de Staat toe om vóór de normale pensioenleeftijd op pensioen te worden gesteld wegens een invaliditeit, zonder voorwaarde van diensttijd, wanneer de verwonding of het ongeval zich had voorgedaan tijdens of naar aanleiding van de uitoefening van hun functie.

Tijdens de pensioenhervorming van 2021-2024 werd het onomkeerbare karakter ervan afgeschaft. Sinds 1 januari 2025 wordt het vervangen door een tijdelijk pensioen van zes tot zesendertig maanden, van kracht tot eind 2027. Vanaf 2028 zal dit tijdelijke pensioen op zijn beurt plaatsmaken voor een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, naar het model van de arbeidsongeschiktheidsregeling in de privésector. Met andere woorden: de arbeidsongeschikte ambtenaar zal niet langer van de arbeidsmarkt worden geschrapt en zal in theorie kunnen re-integreren indien zijn of haar mogelijkheden dat toelaten.

Deze verandering van filosofie is niet onbeduidend. Volgens minister Jambon zelf, voor de commissie Sociale Zaken van de Kamer, betrof de oude regeling zowat 100.000 personen, van wie ongeveer 25.000 opnieuw aan het werk hadden willen gaan, maar daarvan financieel werden weerhouden. Het toegestane cumulplafond bedroeg immers slechts 1.264 euro per jaar, een bedrag dat neerkwam op een nagenoeg volledig verbod op enig aanvullend inkomen. Sinds juni werd dat plafond opgetrokken tot 10.117 euro per jaar voor wie al een pensioen wegens medische ongeschiktheid geniet, een maatregel die het kabinet Jambon voorstelt als een kwestie van gezond verstand, eerder dan als een revolutie.

Waarom vooral het spoor en de post

Blijft de vraag die er echt toe doet: waarom concentreren NMBS en bpost zoveel van deze vervroegde uittredingen? Beide bedrijven voeren een eerste argument aan, dat niet zomaar van tafel te vegen valt: hun historische gewicht als statutaire werkgevers. Samen behoorden ze lange tijd tot de grootste ambtenarenbataljons van het land, met een aanzienlijk aandeel fysiek zware beroepen: rangeerders, arbeiders, postbodes die hun ronde bij elk weer afleggen. Mechanisch gezien geldt: hoe groter het statutaire personeelsbestand en hoe fysieker de taken, hoe hoger het aantal pensioneringen om medische redenen.

Maar een tweede, meer organisatorische factor wordt aangehaald door voormalig NMBS-topman Marc Descheemaecker. Volgens hem lag de beslissing tot ongeschiktverklaring historisch bij de interne medische dienst van het bedrijf, een systeem waarin dezelfde actor rechter en partij was, zonder echte rem. Hij wijst ook op de rol van de sterke vakbonden binnen beide bedrijven, die hun leden graag zouden hebben bijgestaan in dergelijke stappen. Noch NMBS noch bpost wordt rechtstreeks beschuldigd van fraude, maar de vaststelling van een weinig gecontroleerd systeem, waarin de prikkel eerder richting uittreding dan richting behoud van tewerkstelling ging, komt in verschillende getuigenissen terug.

Extreme gevallen die vragen oproepen

Nog een element versterkt het ongemakkelijke gevoel: de leeftijd van sommige begunstigden. De cijfers die de minister meedeelde, tonen ambtenaren die vóór hun 25e definitief op pensioen werden gesteld wegens lichamelijke ongeschiktheid, en een twintigtal anderen tussen 25 en 30 jaar. Vincent Van Quickenborne, die zelf ooit de pensioenportefeuille beheerde, hekelt vooral één zaak: het ontbreken van nauwkeurige gegevens over de oorzaken van die vroegtijdige uittredingen. Zonder een ernstige diagnose van de onderliggende medische redenen blijft, volgens hem, elk debat over preventie of professionele re-integratie theoretisch. Een standpunt dat, minstens impliciet, ook door de regering zelf wordt gedeeld, aangezien het net het ontbreken van opvolging en re-integratie is dat de afschaffing van de regeling motiveert.

Wat er concreet veranderde op 1 januari 2025

Voor personeelsleden die nog actief zijn, is de omslag al ingezet. Sinds 1 januari 2025 ontvangt een ambtenaar die met lichamelijke ongeschiktheid wordt geconfronteerd een tijdelijke uitkering, geen pensioen meer. Dat laatste blijft de vrucht van zijn of haar bijdragejaren en zal, wanneer de wettelijke pensioenleeftijd wordt bereikt, indien nodig worden aangevuld tot het bedrag van het minimumpensioen. Zodra iemand onder de regeling van de tijdelijke uitkering valt, wordt hij of zij opgevolgd door Medex en begeleid door een terug-naar-werkcoördinator. Die laatste evalueert de mogelijkheid tot werkhervatting, in de oorspronkelijke functie of in een andere. De werkgever moet op zijn beurt aantonen dat hij alles in het werk heeft gesteld om de terugkeer van de ambtenaar mogelijk te maken en zal, in het andere geval, de wedde van de betrokkene verder blijven dragen.