Een studie gepubliceerd door de Fondation pour l’innovation politique (Fondapol), ondertekend door Bertrand Martinot, Philippe Gravier en Renan Muret, brengt een idee opnieuw onder de aandacht dat in Frankrijk regelmatig opduikt maar in België zelden grondig wordt besproken: de invoering van een gemengd pensioensysteem dat het omslagstelsel combineert met verplichte kapitalisatie. Hoewel de analyse focust op het Franse model, kan ze ook het debat in ons land voeden, dat eveneens geconfronteerd wordt met de vergrijzing van de bevolking en de geleidelijke uitputting van een uitsluitend op repartitie gebaseerd financieringssysteem.
De studie stelt voor om naast het omslagstelsel een tweede, verplichte pijler via kapitalisatie in te voeren. Deze zou op termijn instaan voor ongeveer een derde van de pensioenen. De auteurs modelleren verschillende demografische en financiële scenario’s en gaan uit van jaarlijkse rendementen tussen 3 % en 5 %. Volgens hun projecties zou zo’n pijler op lange termijn aanzienlijke activa kunnen opbouwen, terwijl tegelijk de druk op de bijdragen vermindert en de intergenerationele solidariteit wordt versterkt.
Fondapol gaat de risico’s niet uit de weg. De studie bevat “stresstests” die beurschokken simuleren: volgens deze oefeningen zou het fonds solvabel blijven, zelfs bij een langdurige daling van de markten. Het beheer zou worden toevertrouwd aan de sociale partners, met duidelijke waarborgen om de veiligheid van het systeem en het vertrouwen van de bijdragebetalers te vrijwaren.
Het gevoelige punt wordt duidelijk benoemd: de kost van de overgang. De invoering van een gekapitaliseerde pijler impliceert gedurende tientallen jaren een dubbele bijdrage. De actieve bevolking zou tegelijk de huidige pensioenen financieren en haar eigen pensioenvermogen opbouwen. De studie schuift verschillende pistes naar voren om deze schok te verzachten: een bredere deelname aan de financiering, geleidelijke aanpassingen van de parameters en een eventuele inzet van nieuwe publieke inkomsten.
Vanuit Belgisch perspectief is dit debat allesbehalve onbelangrijk. Ook ons systeem, dat op repartitie steunt, kampt met gelijkaardige uitdagingen: een versnelde vergrijzing, lagere werkgelegenheidsgraad dan het Europese gemiddelde en onder druk staande overheidsfinanciën. Nochtans kende de eerste pijler van ons pensioensysteem tot 1968 een luik op basis van kapitalisatie… dat werd verlaten wegens de volatiliteit van de financiële markten.
Vandaag bevat de tweede pijler wel degelijk kapitalisatie… maar op onvoldoende niveau. Uit een recente analyse van de FSMA blijkt dat hoewel het merendeel van de Belgische werknemers bijdraagt aan een aanvullend pensioen, de uitgekeerde bedragen ruimschoots tekortschieten om de groeiende druk op de overheidsfinanciën te verlichten. Een sterkere investering in het gekapitaliseerde systeem op kosten van de ondernemingen, zoals in Nederland, lijkt dan ook een mogelijke weg vooruit. Maar, zoals Théo Baeke, voorzitter van de Raad van Bestuur van Fediplus, benadrukt: “Het Nederlandse voorbeeld is overtuigender omdat het repartitieve luik ver overstijgt. Kanttekening: als het rendement van de belegde bedragen laag is, is er geen aanpassing aan de levensduurte.”
Het Franse voorstel vormt geen kant-en-klare routekaart voor België. Het opent wel een nuttige denkruimte: hoe kunnen we de houdbaarheid van onze pensioenen garanderen zonder hun solidaire karakter te ondergraven?
Het debat over een gemengd systeem blijft politiek gevoelig, zowel in Frankrijk als in België. Maar op een moment waarop ons land zich buigt over de hervorming van de pensioenbonus, het verlengen van loopbanen en de aantrekkelijkheid van werk, reikt deze studie pistes aan die het onderzoeken waard zijn.
De vraag blijft of het politieke klimaat in België toelaat om zo’n koerswijziging te overwegen — of dat het status quo de standaardoplossing zal blijven.