Hoewel het Europese gemiddelde 24,5% bedraagt, laten sommige lidstaten veel grotere verschillen zien.
Landen met de grootste kloof:
● Malta: 40,3%
● Nederland: 36,3%
● Oostenrijk: 35,6%
In deze landen bedraagt het gemiddelde pensioen van vrouwen amper 60% van dat van mannen, wat wijst op sterk uiteenlopende loopbanen wat betreft duur, arbeidsregime en loonniveau.
Meest egalitaire landen:
● Estland: 5,6%
● Slowakije: 8,4%
● Hongarije: 9,6%
Deze kleinere verschillen zijn onder meer te verklaren door homogenere loopbaantrajecten, een hoge vrouwelijke arbeidsparticipatie en een minder gesegmenteerde arbeidsmarkt.
Naast gemiddelden publiceert Eurostat ook cijfers op basis van de mediaan, die vaak als representatiever wordt beschouwd voor de realiteit van de meerderheid van de bevolking.
Op Europees niveau is de vaststelling vrijwel identiek: -24,9% op basis van de mediaan tegenover -24,5% op basis van het gemiddelde.
Maar per land tonen de verschillen zeer uiteenlopende structuren.
Records van ongelijkheid volgens de mediaan:
- Luxemburg: 43,3%
- Spanje: 41,1%
- Nederland: 39,6%
Aan de andere kant:
- Estland: -0,3% (quasi perfecte gelijkheid)
- Hongarije: 0,4%
- Denemarken: 2,7%
Deze resultaten tonen aan dat vrouwen in sommige landen globaal pensioenen ontvangen die dicht bij die van mannen liggen, terwijl in andere landen de kloof de volledige inkomensverdeling treft.
België onderscheidt zich door een opmerkelijk fenomeen: een verschil van 11 procentpunten tussen de gemiddelde en de mediane meting — het op één na grootste verschil in de EU, net na Denemarken.
Wat betekent dat?
Het wijst op een sterke polarisatie van de pensioenen: een deel van de vrouwen ontvangt relatief degelijke pensioenen, terwijl een andere aanzienlijke groep aangewezen blijft op zeer lage pensioenen.
Met andere woorden: de ongelijkheid treft niet alle vrouwen op dezelfde manier, maar benadeelt vooral wie te maken had met onderbroken loopbanen, onvrijwillig deeltijds werk of precaire statuten.
Het is belangrijk te benadrukken dat deze verschillen hun oorsprong in het verleden vinden. Economen hebben de oorzaken vandaag duidelijk in kaart gebracht:
- Vaker deeltijds werk bij vrouwen
- Loopbaanonderbrekingen door moederschap en zorg voor naasten
- Minder toegang tot leidinggevende functies
- Aanhoudende loonongelijkheden
- Oververtegenwoordiging in laagbetaalde sectoren
Deze cumulatieve factoren vertalen zich mechanisch in lagere pensioenrechten.
In een context van demografische vergrijzing roept het aanhoudende verschil van bijna 25% een dubbele vraag op:
- een sociale vraag, omdat het het risico op armoede bij oudere vrouwen verhoogt;
- een budgettaire vraag, omdat het de druk op solidariteitsmechanismen vergroot.
Voor beleidsmakers én werkgevers is de uitdaging duidelijk: vroeger in de loopbaan ingrijpen om te vermijden dat professionele ongelijkheden onomkeerbaar worden bij pensionering.
Het verkleinen van de “pensioenkloof” vereist meerdere hefbomen:
- waardering van zorgperiodes en ouderschapsverlof,
- stimulansen voor vrijwillig voltijds werk,
- gelijke toegang tot opleidingen en promoties,
- gerichte begeleiding van vrouwelijke loopbanen in de tweede helft van het beroepsleven.