De geschiedenis van de Belgische tweede pijler is die van een belofte die nooit volledig is ingelost. Vóór de Tweede Wereldoorlog organiseerden werkgevers collectieve voorzorgskassen voor ziekte, invaliditeit en ouderdom. Het besluitwet van 8 december 1944 maakte de sociale zekerheid veralgemeend en verplicht, waardoor een einde kwam aan het vrijwillige karakter van deze regelingen, zonder ze evenwel te laten verdwijnen. Het verplicht gestelde omslagstelsel beloofde een sterkere band met de loonontwikkeling. Maar het introduceerde ook een loonplafond voor de berekening van rechten, waardoor de reikwijdte van het pensioen werd beperkt. Wie zijn levensstandaard na pensionering wilde handhaven, bleef aangewezen op aanvullende bedrijfsregelingen. Die groeiden uit, maar zonder dwingend wettelijk kader, afhankelijk van de vrijgevigheid van sectoren en werkgevers.
Pas in 1995, met de wet-Colla, kregen de aanvullende pensioenen voor werknemers een minimale omkadering. De wet van 2003 op de aanvullende pensioenen (WAP) verstevigde het stelsel: pensioenreglement, jaarlijkse pensioenfiche, rendementsgarantie... Elk decennium voegde een laag transparantie en informatieverplichtingen toe, tot aan de transparantiewet van december 2022, die de communicatie van verworven rechten automatiseerde. Het juridisch kader is geleidelijk verdicht. Wat niet is veranderd, is de toegang zelf: de tweede pijler blijft afhankelijk van de wil van de werkgever of de sector.
De cijfers van minister Jambon, dinsdag 5 mei voorgelegd in de commissie Sociale Zaken, illustreren de omvang van het onevenwicht dat hij wil wegwerken. Een gepensioneerde ambtenaar ontvangt gemiddeld 2.562 euro wettelijk pensioen per maand. Een werknemer 1.561 euro. Een zelfstandige 1.185 euro. En het aanvullend pensioen, dat dit verschil voor de twee laatste categorieën zou moeten milderen, vervult die rol slechts gedeeltelijk: 20 euro per maand voor de mediane werknemer, 92 euro voor de zelfstandige.
Deze ongelijkheid is geen noodlot. Ze is het produkt van een asymmetrische architectuur, gebouwd rond de overheidsdienst als impliciete referentie, en nooit werkelijk gecorrigeerd. De Arizona-hervorming raakt aan het wettelijk pensioen van ambtenaren, maar de kloof zal blijven bestaan, zo blijkt uit de eigen projecties van de minister, zelfs nadat de hervorming op kruissnelheid is gekomen.
Jambon heeft daarom een beroep gedaan op de sociale partners, de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, om tegen 1 september een groeitraject naar de doelstelling van 3% voor alle werknemers voor te leggen. Op basis daarvan zal hij bij het begin van het volgende interprofessioneel akkoord, in 2027, een algemeen tijdschema opstellen. Voor statutaire ambtenaren wordt eind 2026 een wettelijk kader verwacht, te activeren zodra de pensioenhervorming hun wettelijk pensioen op het niveau van dat van contractuelen heeft gebracht, aanvullend pensioen inbegrepen.
Opvallend is de dubbelzinnige rol van de overheidsfinanciën: de staat, als publieke werkgever én als waarborg van het omslagstelsel, heeft er belang bij het tempo niet te hoog op te drijven. Elke euro die als werkgeversbijdrage in de tweede pijler wordt gestort, is een euro die aan de sociale zekerheidsbijdragen ontsnapt. De fiscale kostprijs van de uitbreiding van de tweede pijler is reëel, en de regering waagt zich hier aan een hachelijk evenwichtsoefening.
Desalniettemin wijst de koers in de goede richting. Een minimumdrempel van 3%, als die effectief universeel en dwingend is, zou de aard zelf van de Belgische tweede pijler veranderen: van een sectoraal onderhandeld voordeel zou hij een recht worden. Dat is een kwalitatieve sprong die tachtig jaar sociale opbouw nog niet heeft opgeleverd. Toch stelt onze directeur Michel Wuyts: "Een drempel van 3% volstaat niet. Wij pleiten ervoor die drempel te verdubbelen tot 6%, om de overheidsfinanciën te ontlasten en gedeeltelijk aan te sluiten bij het Nederlandse model, met behoud van de zekerheid van ons Belgisch sociaal model."