Toch is Mark, in de ogen van de wet, niet dood. In het Belgisch recht moet een overlijden zonder geïdentificeerd lichaam immers door de naasten worden aangegeven via de procedure van afwezigheidsverklaring. Sinds de hervorming van 9 mei 2007 verloopt die in twee stappen, tegenover drie voorheen: (1) een vermoeden van afwezigheid, gevolgd door (2) een verklaring van afwezigheid, mogelijk na vijf jaar zonder nieuws (de regeling van vóór 2007 kon zich over meer dan dertig jaar uitstrekken voordat de goederen definitief in bezit werden gegeven). Deze verklaring opent in principe de nalatenschap, de mogelijkheid om te hertrouwen en de theoretische toegang tot het overlevingspensioen, en dat is precies wat de hervorming van 2007 beoogde te corrigeren: onder de oude regeling stelde de wet afwezigheid namelijk nooit gelijk aan overlijden, waardoor diezelfde rechten geblokkeerd bleven.
Vijf jaar. Dat is de termijn die de Belgische wet aan de partner oplegt vooraleer die zelfs maar een pensioenaanvraag kan indienen, bij gebrek aan een stoffelijk overschot van de vermiste persoon.
Het detail dat alles verandert voor een partner zonder inkomsten, is de datum vanaf wanneer het overlevingspensioen ingaat zodra de verklaring is verkregen. Tot 2015 werd de vermiste persoon geacht overleden te zijn op de datum van het vonnis van afwezigheidsverklaring. Sindsdien geldt de datum van overschrijving van die verklaring in de registers van de burgerlijke stand. In beide gevallen is er geen terugwerkende kracht tot de dag van de verdwijning zelf. De partner wacht vijf jaar en krijgt dan een pensioen dat de verstreken jaren niet compenseert.
Het contrast met Frankrijk springt in het oog. De algemene regeling voorziet daar in een termijn van één jaar, niet vijf, voordat de partner van een verdwenen verzekerde aanspraak kan maken op een nabestaandenpensioen. Bovendien geldt: als de aanvraag wordt ingediend binnen het jaar na afloop van die termijn, gaat het pensioen met terugwerkende kracht in vanaf de eerste dag van de maand na de verdwijning. De partner ontvangt dus, weliswaar met vertraging, wat hij of zij vanaf het begin had moeten krijgen.
De Franse regeling voor ambtenaren gaat nog verder, maar binnen een engere context dan het lijkt. Artikel L.57 van het wetboek van burgerlijke en militaire pensioenen betreft het geval van een reeds gepensioneerde titularis, of iemand die een invaliditeitsrente ontvangt, die van zijn woonplaats verdwijnt: na een jaar kunnen zijn echtgenote en kinderen jonger dan 21 dan voorlopig (zonder dat de procedure hoeft te worden afgesloten) de vereffening verkrijgen van de pensioenrechten die hen bij overlijden zouden toekomen. Het mechanisme dekt dus niet de verdwijning van een ambtenaar die nog in dienst is, en de tekst, geformuleerd ten voordele van "zijn echtgenote", is zelf al het voorwerp geweest van een parlementaire vraag over het ontbreken van een symmetrisch recht voor de echtgenoot van een verdwenen ambtenares. Het principe biedt niettemin een tussenoplossing die in België ontbreekt: een voorschot op rechten, omkeerbaar als de persoon terugkeert, in plaats van een droge wachttijd van vijf jaar.
Het Duitse systeem maakt onderscheid naargelang de manier waarop de persoon is verdwenen, wat alles verandert voor een geval zoals een verdwijning in de bergen. De algemene regel (Verschollenheitsgesetz) legt tien jaar zonder nieuws op vóór een overlijdensverklaring. Maar bij een verdwijning die verband houdt met een precies en gedocumenteerd gevaar (bergongeval, natuurramp, schipbreuk) valt die termijn terug tot één jaar na het einde van het gevaar. Bij een schipbreuk volstaan zes maanden; bij een vliegtuigongeluk drie maanden.
Nog een groot verschil: de Duitse pensioeninstelling is niet verplicht te wachten op de gerechtelijke overlijdensverklaring om te handelen. Krachtens paragraaf 49 van het zesde boek van het sociaal wetboek (SGB VI) kan het pensioenfonds zelf een vermoedelijke overlijdensdatum vaststellen en de rechten op het weduwe- of weduwnaarspensioen openen, op basis van een verklaring op eer van de partner, zonder de uitkomst van de gerechtelijke procedure af te wachten. Dat is een echte tussenoplossing: een snelle administratieve beslissing, die kan worden herzien als de persoon terugkeert.
Het Nederlandse recht volgt een schema dat sterk lijkt op het Belgische. De rechtbank kan pas na vijf jaar afwezigheid een "rechtsvermoeden van overlijden" uitspreken, en enkel als er reële onzekerheid bestaat over het voortleven van de persoon. Eenmaal het vermoeden is uitgesproken, hanteert de wet als overlijdensdatum de dag na de laatste dag waarop de persoon nog een levensteken gaf, behoudens andersluidende aanwijzingen. Dat is een nuttige juridische fictie voor de nalatenschap, maar ze verandert niets aan het moment waarop de familie effectief een uitkering kan ontvangen: de vijf jaar moeten hoe dan ook worden uitgezeten.
Ondertussen bevinden de naasten zich in een concreet precaire situatie. Een Nederlandse vereniging die families van vermisten bijstaat, documenteert gevallen van ontslag van de vermiste (ongewettigde afwezigheid op het werk), opeenstapelende schulden en gedwongen verkoop van de gezinswoning bij gebrek aan voldoende inkomsten: de levensverzekering zelf kan niet worden uitgekeerd voordat het rechtsvermoeden van overlijden is uitgesproken.
Het Belgische systeem beschermt de budgettaire voorzichtigheid: geen pensioen zolang het overlijden juridisch niet vaststaat. Maar het legt het volledige financiële risico bij de overlevende partner, net op het moment dat die daar het minst de middelen voor heeft, en op dat vlak speelt de Europese vergelijking niet in zijn voordeel. Nederland deelt dezelfde termijn van vijf jaar en hetzelfde ontbreken van een vangnet. Frankrijk en Duitsland tonen, elk op hun eigen manier, dat een vaste termijn enerzijds en terugwerkende kracht of een administratief voorschot anderzijds niet onverenigbaar zijn. Twee pistes verdienen verdere verkenning: (1) de termijn vóór de afwezigheidsverklaring inkorten voor gevallen van duidelijk gedocumenteerde en omschreven verdwijning, naar Duits model van de Gefahrverschollenheit, en (2) een voorlopige vereffening van rechten invoeren, naar Frans model of naar het voorbeeld van de rechtstreekse tussenkomst van het Duitse pensioenfonds, in plaats van de families in afwachting naar het OCMW te laten stappen.