Op 27 november jongstleden speelde zich een ongewone scène af in de discrete gangen van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Zeven zwaargewichten van het Belgische patronaat – van VBO tot UCM, over Voka en Unizo – zetten hun handtekening naast die van het Instituut onder een samenwerkingsakkoord dat, op papier althans, een keerpunt markeert. De uitgesproken doelstelling? De genderverhoudingen op de Belgische arbeidsmarkt grondig transformeren. Een engagement dat, indien het geconcretiseerd wordt, wel eens de kaarten zou kunnen herschudden in een domein waar ongelijkheden met een verbijsterende hardnekkigheid blijven bestaan.
Want laten we eerlijk zijn: ondanks de wetgevende vooruitgang van de voorbije decennia blijft professionele gelijkheid tussen vrouwen en mannen in België een horizon die terugwijkt naarmate men denkt er dichter bij te komen. Loonkloven, glazen plafonds, beroepssegregatie: de structurele obstakels zijn verre van verdwenen, integendeel. Het is juist tegenover deze vaststelling dat de werkgeversorganisaties – Beci voor Brussel, Boerenbond voor de Vlaamse landbouwwereld, de interprofessionele federaties en de vertegenwoordigers van de kmo's – besloten hebben de Rubicon over te steken door zich formeel te associëren met het Instituut.
Het akkoord, waarvan de initiële looptijd zich uitstrekt over drie hernieuwbare jaren, legt een samenwerkingskader vast rond vier pijlers. Eerste luik: regelmatige ontmoetingen zullen de ondertekenaars in staat stellen informatie en goede praktijken uit te wisselen, waaruit, zo hoopt men althans, een gedeelde visie op de prioriteiten zal ontstaan. Tweede as: het Instituut zal werkgevers een hele waaier aan praktische instrumenten, gerichte opleidingen en juridische documentatie ter beschikking stellen, met name via het platform Gender@Work, een ware digitale gereedschapskist voor ondernemingen. Derde dimensie: een mogelijkheid tot wederzijdse consultatie over specifieke projecten, om te vermijden dat men in verspreide slagorde vooruitgaat. Ten slotte, laatste en niet de minste pijler, een politieke uitwisseling gevoed door het delen van adviezen, rapporten en statistieken die de initiatieven moet verankeren in een fijn begrip van de terreinrealiteit.
"Om duurzame vooruitgang te realiseren, is het essentieel om samen te werken, omdat dit zowel de werknemers als de ondernemingen ten goede komt," hameren de ondertekenaars in hun gezamenlijke communiqué. Een bewering die een opmerkelijke paradigmaverschuiving vertaalt: gendergelijkheid zou niet langer enkel een kwestie van sociale rechtvaardigheid zijn, maar eveneens een hefboom voor economische prestaties. Het is trouwens deze dubbele argumentatie – ethisch en pragmatisch – die werkgeversorganisaties lijkt te hebben overtuigd, die soms terughoudend staan tegenover wat zij als bijkomende regelgevende beperkingen ervaren.
De uitgesproken ambitie is duidelijk: een brug slaan tussen het overheidsbeleid en de dagelijkse realiteit van ondernemingen, die vaak met de handen in het haar zitten door de complexiteit van de wetgeving inzake gelijkheid. Immers, hoewel het Belgische wettelijke kader relatief uitgebreid is (antidiscriminatiewet, quota in raden van bestuur, verplichtingen inzake analyse van loonkloven), botst de concrete toepassing ervan veelvuldig op het gebrek aan praktische begeleiding van werkgevers, met name in kmo's die het gros van het Belgische economische weefsel uitmaken.
Toch moet het enthousiasme van de intentieverklaringen getemperd worden door een gezond scepticisme. Want hoewel raamakkoorden en charters van goed gedrag regelmatig opbloeien in het Belgische institutionele landschap, blijkt hun vertaling in tastbare veranderingen op het terrein vaak moeizamer dan verwacht. De komende drie jaren zullen uitwijzen of deze unieke samenwerking tussen het Instituut en de werkgeversorganisaties er werkelijk in slaagt de lijnen te doen bewegen of dat ze zich voegt bij de lange lijst van goedbedoelde maar beperkt effectieve initiatieven. In een arbeidsmarkt waar genderongelijkheden diep verankerd blijven in de organisatiestructuren en collectieve voorstellingen, belooft de partij in elk geval verre van bij voorbaat gewonnen te zijn.