De statistische vaststelling is duidelijk. Volgens het Federaal Planbureau (2024) lopen 65-plussers een hoger armoederisico dan de volledige Belgische bevolking (15,8% tegenover 12,3% in 2022), een verschil dat kleiner wordt maar significant blijft voor gepensioneerden alleen (13,6%). Diezelfde instelling preciseert echter dat dit hogere armoederisico "sterk genuanceerd wordt zodra rekening wordt gehouden met woningeigendom", aangezien eigenaars geen huur betalen en daardoor een hogere levensstandaard genieten dan huurders (Federaal Planbureau, 2024).
Het verschil is aanzienlijk. Volgens cijfers van de Ligue de l'Enseignement et de l'Éducation permanente (2023) bedraagt het armoederisico slechts 7,4% bij Belgische eigenaars, tegenover 26,5% bij huurders. De FOD Sociale Zekerheid (2025) bevestigt deze grootteorde met recentere cijfers: 29,1% van de Belgische huurders liep in 2022 een armoederisico, tegenover 13,2% voor de volledige bevolking.
Het mechanisme is eenvoudig maar krachtig. Een gepensioneerde eigenaar wiens hypotheek volledig is afbetaald (wat voor een ruime meerderheid van de huidige gepensioneerden geldt) heeft enkel nog de onroerende voorheffing, eventuele syndicuskosten, energiekosten en onderhoud te dragen. Zoals journalist Thomas Renard het samenvat: het is "een van de weinige buffers waarover de huidige generatie nog beschikt: eigenaar zijn, vaak sinds de jaren 80 of 90, beschermt tegen een huurexplosie die ze vandaag nooit hadden kunnen dragen" (Moustique, 2025).
Op nationaal niveau wordt ongeveer 64,5% van de Belgische woningen bewoond door de eigenaar zelf, volgens de volkstelling 2021 van Statbel (2024), een aandeel dat globaal stabiel blijft maar licht daalt tegenover 65,6% in 2011. Dit gemiddelde verbergt echter grote regionale verschillen. In het Vlaams Gewest wordt 69,8% van de woningen door de eigenaar bewoond. In Wallonië bedraagt dat percentage 63,8%. In Brussel daarentegen wordt slechts 38,1% van de woningen door de eigenaar bewoond, waardoor het de enige regio van het land is waar huurders (62%) in de meerderheid zijn (Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse, 2024; Statbel, 2024).
Deze regionale kloof heeft rechtstreekse gevolgen voor de territoriale spreiding van kwetsbaarheid op hoge leeftijd. Een Brusselse gepensioneerde heeft statistisch veel minder kans om toegang te hebben gehad tot eigendom dan een Vlaamse of Waalse gepensioneerde, en loopt dus structureel een hoger armoederisico bij pensionering.
Een cijfer verdient bijzondere aandacht: de meest recent gebouwde woningen zijn net degene met het laagste eigenaarsbezettingspercentage. Volgens Statbel (2024) wordt slechts 57,2% van de woningen gebouwd tussen 2011 en 2020 door de eigenaar bewoond, tegenover meer dan 70% voor woningen uit de jaren 80 en 90. Dit cijfer meet niet rechtstreeks de eigendomsverwerving door jonge huishoudens, maar bevestigt wel een onderliggende trend: het nieuwe woningaanbod wordt steeds meer gebouwd voor verhuur dan voor eigendomsverwerving, in tegenstelling tot het model dat de huidige generaties gepensioneerden toeliet om vóór hun pensioen eigenaar te worden.
Deze evolutie moet worden bekeken tegen de achtergrond van de demografische druk op het repartitiestelsel. België telt vandaag ongeveer 2,2 bijdragebetalers per gepensioneerde, een verhouding die volgens de projecties van econoom Jean Hindriks (2025) tegen 2045 kan dalen tot 1,3 op 1. Als eigendomsverwerving moeilijker wordt voor de generaties die dit verzwakte stelsel zullen financieren, verliezen zij precies de buffer die de vorige generaties toeliet om een van de laagste vervangingsratio's van West-Europa te compenseren.
De gevolgen van deze kloof zijn niet hypothetisch, ze zijn al gedocumenteerd. Volgens het Institut wallon de l'évaluation, de la prospective et de la statistique (Iweps, 2026) liepen huurders op de private markt in Wallonië in 2024 een armoederisico tussen 16,2% en 26,7%, tegenover een aanzienlijk lager percentage bij eigenaars. Iweps spreekt van een echte "dubbele straf" voor huurders: niet alleen zijn hun inkomens statistisch lager, ook wegen hun woonkosten proportioneel zwaarder door op dat reeds beperkte inkomen (Iweps, 2026).
Op het terrein meldt de vereniging L'Îlot (2025) dat bijna 18% van de 65-plussers in 2024 een armoederisico liep, en dat naar schatting bijna 5.000 ouderen vandaag dakloos zouden zijn in België. De getuigenis van Christine Mahy, secretaris-generaal van het Réseau wallon de lutte contre la pauvreté, aangehaald door L'Îlot (2025), is onomwonden: België kampt met een structurele woningcrisis, die steeds meer oudere huurders dwingt hun woning te verlaten omdat ze de stijgende huurprijzen niet meer kunnen volgen, met risico op uithuiszetting en dakloosheid.
Deze realiteit gaat gepaard met een onzekerder klimaat voor de pensioenen zelf. De strengere indexeringsmaatregelen die de federale regering vanaf 2026 invoert, en die de automatische verhoging van pensioenen boven 2.000 euro bruto beperken, dreigen extra te wegen op gepensioneerden die niet het geluk hebben eigenaar te zijn, en die elke maand een steeds groter deel van hun inkomen aan huur moeten besteden (La DH/Les Sports+, 2026).
Uit deze gegevens komen drie vaststellingen naar voren die het verdienen om de academische analyse te overstijgen en het publieke beleidsdebat te betreden.
Ten eerste kan het armoederisico van gepensioneerden niet langer worden gemeten of gecommuniceerd zonder rekening te houden met de woonstatus. Het Federaal Planbureau (2024) erkent dit expliciet: het armoederisico van 65-plussers wordt "sterk genuanceerd zodra rekening wordt gehouden met woningeigendom". Twee gepensioneerden met hetzelfde wettelijk pensioen kunnen totaal verschillende realiteiten beleven naargelang ze hun woning al dan niet hebben afbetaald, of huren op de Brusselse private markt.
Ten tweede tekent de regionale kloof tussen Vlaanderen en Wallonië (meer eigenaars), en Brussel (overwegend huurders) een toekomstige kaart van kwetsbaarheid op hoge leeftijd, die vanaf nu moet worden geanticipeerd door de actoren van de tweede en derde pijler, met name om de sensibiliseringscampagnes voor pensioensparen te richten op de doelgroepen die geen vooruitzicht hebben om eigenaar te worden.
Ten slotte verdient de stagnatie, of zelfs de terugval, van het eigendomsverwervingspercentage bij jonge huishoudens (impliciet zichtbaar in de Statbel-cijfers (2024) over recente woningen) opvolging op lange termijn. Als deze trend zich bevestigt, zal België binnen vijftien à twintig jaar de convergentie zien van twee kwetsbaarheden die vandaag zelden dezelfde personen treffen: pensioenen die al onder demografische druk staan, en een volledige generatie levenslange huurders die nooit zal hebben kunnen genieten van de vastgoedbuffer waarvan vandaag zeven op de tien Belgische gepensioneerden profiteren.